Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Morgen gaan we naar Rimini – Inge Wenzel achterna

PlusMaarten Moll

Hartjes heeft afgezegd.

We zouden op Hemelvaartsdag door Zuid-Limburg gaan toeren, maar hij heeft andere plannen. Jammer, ik had gehoopt dat hij eindelijk het echte verhaal over Fietje zou vertellen.

Hij mailde dat hij naar Rimini moest. Typisch Hartjes, ik heb niet eens verder gevraagd.

Een paar maanden hebben we weer contact, maar het oude patroon is er meteen weer ingeslopen. Afzeggen, plotseling opduiken. Verhalen achterhouden. Maar ook dat je weer avonturen met hem wilt beleven.

We zaten allebei op het podium toen The Clash speelde.

Hemelvaart in de jaren tachtig, Lochem Pop. Hij was nog geen vriend, maar we herkenden elkaar van school, en ik mocht van zijn bier drinken.

Hij wist de knie van Joe Strummer aan te raken, en ging ook nog met een plectrum naar huis.

Rimini. Flauw dat hij daar nu in zijn eentje naartoe wil.

Jarenlang had hij op de wc in zijn halve etagewoning in de Marnixstraat een bordje hangen. Een bordje van de Bundesbahn.

‘Inge Wenzel auf dem Weg nach Rimini.’

Met een foto van een slapende vrouw.

Hij had het uit de trein meegenomen toen hij een keer in Düsseldorf was geweest.

Inge Wenzel auf dem Weg nach Rimini.

Het werd een soort mantra. Als we een tentamen niet hadden gehaald, of we waren weer eens in de steek gelaten en zaten in de Koophandel te klagen, dan zeiden we: morgen doen we het, dan gaan we Inge Wenzel achterna.

Kwam natuurlijk nooit wat van.

Net als de nooit gemaakte reis naar Wuppertal. Dat vonden we mooi klinken, Wuppertal. Daar was eens het olifantje Tuffi uit de monorail in de rivier gesprongen.

Wat was er in Rimini te beleven?

God ja, Wildschut! Het einde van een Hemelvaartsdag lang geleden.

We zaten bij Hartjes, begin van de avond. We hadden ergens bandjes gezien. Fles wijn op tafel. Hartjes pakte de kurk, hield die in de vlam van een kaars en tekende een prachtige Franse krulsnor op mijn gezicht. Daarna voorzag hij zichzelf van een dikker aangezet exemplaar.

“Nee, man, dit zijn Italiaanse snorren! Kom mee!”

En we scheurden in zijn gele Eend door de stad. (Toen wist ik nog niet dat hij op avonden soms uren lukraak door de stad reed.)

Bij Wildschut werden we door een politieauto tot stoppen gemaand.

Hartjes stapte uit. De agenten keken hem vreemd aan, een wees met een vinger onder zijn neus. Hartjes begon iets Italiaans te zingen.

Hij moest blazen. En werd vervolgens meegenomen naar het bureau.

“Inge Wenzel moet nog even wachten,” riep hij nog. “Ga naar huis, ik bel je morgen.”

De volgende dag kon ik hem niet bereiken. Zijn auto stond nog voor Wildschut. Ik belde om de paar uur bij zijn huis aan. Een paar dagen later was de Eend verdwenen.

Daarna ben ik Hartjes voor jaren uit het oog verloren.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden