Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

Moppen vervullen mij vaak met een hekel aan homo sapiens

Plus Roos Schlikker

Alsof een babykonijn met roze oren en een donsstaartje zojuist te grazen is genomen door een manshoge dobermann, die met zijn hondenkaken het lijfje zo heeft weten te vermalen dat niets anders over is gebleven dan gruizig karkas met bont, een leeggelopen teddybeer in een regenplas op een kermis. Zo kijkt de helft van de kinderen op de nieuwste klassenfoto van mijn oudste.

“Jemig, kon er geen lachje af?” vraag ik met een blik op de bedrukte snuitjes. “Ja, die meneer deed een beetje stom. Hij vertelde het pas nadat hij had afgedrukt. En niet vlak daarvóór zoals altijd.” Mijn kind doelt op het mopje. De fotograaf, type feestneus, heeft namelijk doorgaans een heel arsenaal aan grollen om de stiknerveuze keurig gekamde kinderen tot een lach te bewegen. Blijkbaar ging er dit jaar iets niet helemaal lekker, timingsgewijs.

Ik ben altijd behoorlijk dankbaar dat ik niet bij die fotosessies hoef te zijn. Sommige mensen zien moppen als de smeerolie van het intermenselijke verkeer. Mij vervullen ze geregeld met een enorme hekel aan de homo sapiens in het algemeen en mijzelf in het bijzonder. Dat komt door het verwachtingspatroon.

De moppentapper begint met olijke tronie aan een verhaaltje. De toehoorder denkt ‘kak’, maar grimast zijn gezicht in de hier-komt-iets-leuks-stand, moet vervolgens eindeloos wachten tot de slotzin wordt uitgesproken, met een beetje pech vat hij hem eerst niet waarna de verteller begint te informeren: “Snap je hem? Snap je hem?”, de toehoorder iets te hevig moet knikken, de moppentapper: “Jahaa, goeie he, goeie!” uitroept en de toehoorder, zachtjes hopend dat het eindelijk voorbij is, alsnog lukraak dommig begint te grinniken.

Want dat doe je. Anders is het sneu. Als twintiger nam mijn moeder me mee naar het borstonderzoek dat ze jaarlijks op eigen kosten liet doen. Hoewel wat jong leek het haar een uitstekend idee als ik me ook alvast zou laten controleren op enge knobbels.

Ongemakkelijk lag ik op de behandeltafel alwaar de tietendokter mijn borsten insmeerde met gel om een echografie te maken. Het was fris in het kamertje, ik mopperde inwendig omdat ik me had laten meeslepen door mijn moeder die in tegenstelling tot mijzelf gek was op medische onderzoeken, de arts keek me amper aan, we zwegen, ik hoorde slechts het zoemen van de airconditioning.

“Er gaan twee boeren op reis naar Amerika,” bromde de dokter plotseling. “Sorry?” vroeg ik verschrikt. De kerel murmelde voort. “Vraagt die ene boer in het vliegtuig: ‘Wat is eigenlijk neuken in het Engels?’ Zegt die andere: ‘Nitchen natuurlijk.’ ‘Hoezo nitchen?’ ‘Nou, een keuken is toch ook een kitchen?’”

Daar lag ik, met ijskoude tieten op een harde behandeltafel, me paniekerig af te vragen: was dit de clou? Het was de clou. En dus begon ik braaf te hinniken. De plichtlach. Het is de vermoeiendste van alle lachen, realiseer ik me met de dode-babykonijn-klassenfoto in de hand. Ik kijk naar de ongeforceerde bloedsacherijnige koppen. Dan knik ik tevreden. Goede foto. En hang hem prominent aan de muur.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden