Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Mooie woorden zijn nu echte woorden

PlusRoos Schlikker

Het was vernederend. Kwaadaardig misschien zelfs. Maar het allerergste was dat ze gelijk had. We lagen elkaar niet, het studiegenootje en ik. We vielen op dezelfde jongen. Er waren speldenprikken. Grimlachjes. De passieve agressie wolkte tussen ons in.

Op een ochtend sloop ze naar het postbakje van onze docent bij wie we een essay moesten inleveren. Ze viste het mijne eruit en begon proestend te lezen. “Dit is het adagium van…” Ik schuifelde net langs, ingeklemd tussen een zwerm andere aankomende neerlandici. “Een adaaaaaaagium, Roos? Heb je dat uit het moeilijke woorden-woordenboek?” Ik snoof. “Weet je niet wat dat is? Gênant.”

Maar de schaamte lag bij mij. Want ik had inderdaad de Van Dale opengeslagen om een intellectuelere term te vinden voor het ordinaire woord gezegde.

Ik was een zoeker. En zij had dat gezien. Ik zocht niet alleen de juiste woorden maar ook de juiste toon en het juiste verhaal. Mijn verhaal. Mijn ouders hadden geen universiteit gedaan, van veel schrijvers uit mijn syllabi had ik amper gehoord en bij de maand mei dacht ik eerder ‘Leggen alle vogels een ei’ dan aan Gorter.

Er viel kortom wat te overschreeuwen. Kreeg ik de beurt in de collegezaal, hoorde ik mezelf termen gebruiken als ‘te elfder ure’. Gezwollen taal lag als een dekentje over mijn puisterige onzekerheid. Want hoe groter de bek, hoe kwetsbaarder het ego. Dus balkte ik over de roman die ik ging componeren (ik moest opschieten, Reve schreef De Avonden op z’n 23ste), dat ik alle Russische literatuur zou verslinden (nooit aan toe gekomen, ik heb al genoeg oorlog en vrede in mijn kop) en nimmer zou verkeren met een man die niet de zin ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten…’ kon afmaken.

Vijfentwintig jaar later voer ik met mijn Franstalige echtgenoot gesprekken die je met goede wil postmodern kunt noemen, maar vooral verwarrend zijn.

“Schat, waar is de keelspray?”

“In het kabinet.”

“Dat is demissionair, hoor.”

“Het kabinet! In de badkamer!”

“Zit Rutte dáár?”

“Je weet heus wel dat ik het kastje bedoel.”

Het woordzoeken is gebleven. Maar mijn verhaal is zoveel duidelijker dan dat van het meisje met haar compensatiegebrul.

Het misverstand over jongeren is dat ze geobsedeerd zijn door zichzelf. Onzin. Het draait om de perceptie van dat zelf. De perceptie door de ánder.

Ik moest eraan denken toen ik hoorde dat Arnoud is overleden. We kenden elkaar in onze studiejaren niet eens zo goed, maar ik herinner me enkele filosofische drinkmiddagen. Ik mocht hem. Want hoeveel ik ook had op te houden, en hij misschien net zo goed, onder alle grootspraak piepten voorzichtig de mensen vandaan die we ooit zouden zijn.

Later kwam ik hem nog eens tegen. We hadden de kleren van de keizer inmiddels weggekeild. Mooie woorden maakten plaats voor echte. We waren een verhaal geworden. Ons eigen verhaal.

En nu is dat van hem gestopt. Ik kan er poëtisch over doen, maar mij ontsnapte slechts: “Wat is de dood een klootzak.” Geen mooi adagium. Maar wel waar.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden