Opinie

‘Mondzorg voor volwassenen moet opgenomen in basiszorgverzekering’

Dat mondzorg voor volwassenen nauwelijks wordt gedekt door de basiszorgverzekering leidt tot een maatschappelijke tweedeling, betoogt hoogleraar tandheelkunde Albert Feilzer.

‘De basismondzorg voor volwassenen wordt vrijwel niet gedekt door de basiszorgverzekering.’ Beeld Getty Images

Marcel Levi heeft mij diep ­geraakt met zijn column ‘Moeten verstokte rokers zelf opdraaien voor zorgkosten?’ (Het Hoogste Woord van 11 augustus). Levi vindt van niet: “Het lijkt een heilloze zaak om de zorgpremie te verhogen bij mensen met een ongezonde leefstijl. Het ongezonde gedrag zelf kunnen we natuurlijk wel bestrijden.”

Ik ben het daarmee eens, want als we de ziektekostenpremie verbinden aan gedrag, zouden we meer zaken niet meer collectief moeten vergoeden, zoals Levi stelt. Sportletsel en mensen die aan obesitas lijden zou je dan kunnen verwijten dat hun aandoeningen door de eigen leefstijl worden veroorzaakt: zelf betalen dus. Gelukkig doen we dat niet.

Helaas werk ik in een deel van de gezondheidszorg, de mondzorg, waarvoor deze genereuze opstelling niet geldt. De basismondzorg voor volwassenen wordt vrijwel niet gedekt door de basiszorgverzekering. De aanvullende verzekeringen zijn relatief duur en eigenlijk geen verzekeringen, maar slechte spaarfondsen.

Dat de mondzorg zo slecht verzekerd is, is bijzonder. Cariës, de ziekte die tandbederf veroorzaakt, is de meest voorkomende ziekte ter wereld. De overheid vindt dat iedere Nederlander in staat is om de kosten van mondzorg zelf te dragen. Dit ondanks het feit dat er genoeg ­bewijs voorhanden is dat toont dat dit voor een groot deel van de bevolking niet geldt. Het lijkt wel of de mond geen onderdeel van het lichaam uitmaakt. Het lijkt er ook op dat je met een ongezonde mond toch gezond zou kunnen zijn.

Gedurende mijn 37-jarige carrière als tandarts heb ik zowel het ziekenfondsstelsel als het vernieuwde zorgverzekeringsstelsel mogen ervaren. Binnen beide stelsels geldt dat een grote groep Nederlanders genoodzaakt is om te kiezen voor goedkope zorgalternatieven die helaas te vaak leiden tot een kunstgebit; niet altijd een blij bezit.

Fluoridehoudende tandpasta

Gelukkig kan een groot deel van de bevolking een gezonde mond, door gezond te leven, eenvoudig behouden. De tandartsen hebben in de afgelopen eeuw enorme verbeteringen bereikt voor de mondgezondheid van onze jeugd. De Nederlander is zijn tanden gaan poetsen en gelukkig doet de meerderheid dat met een fluoridehoudende tandpasta.

Desondanks is deze verbetering bij de jeugd al sinds vijftien jaar tot stilstand gekomen. Vooral kinderen uit gezinnen met een lage sociaal-economische status, de armen in onze samenleving, hebben een slechter gebit. Hoewel de zorg voor kinderen tot 18 jaar zeer goed is verzekerd, gaan zij niet, of te laat naar de tandarts. Ik acht de kans groot dat zij na hun 18de, net als hun ouders, zich feitelijk goede mondzorg niet kunnen permitteren en zo bij geboorte al voorsorteren op een kunstgebit. Voor ‘Jan onder ­modaal’ – toch ongeveer de helft van onze bevolking – is de situatie eigenlijk niet veel beter.

Veel van deze mensen komen met enige regelmaat bij de tandarts. Het aantal controlebezoeken bij de tandarts is daarom niet echt gedaald. Echter, hieruit mag je niet concluderen, zoals minister Bruins (Medische Zorg) doet, dat er niets aan de hand is. Veel patiënten zijn genoodzaakt om voor de goedkoopste behandel­alternatieven te kiezen: er worden tanden en kiezen getrokken die met andere zorg behouden hadden kunnen worden.

Als je dan toch de mondzorg tot de eigen ­verantwoordelijkheid van de Nederlander ­verklaart, dan moet je wel een idee hebben vanaf welke leeftijd men een kind verantwoordelijk kan stellen voor zijn eigen gedrag. Naar mijn mening gaat daar een groot aantal jaren overheen. Bij jonge kinderen is een ongezonde leefstijl toch in eerste instantie de schuld van de ­ouders.

Droge mond

Ook de mondzorg voor ouderen is slecht geregeld. Terwijl voor hen geldt dat ze vaak veel ­medicatie gebruiken (antidepressiva, bloedrukverlagers, hartrimtemedicatie), met een droge mond als bijwerking. Speeksel bevat essentiële afweerstoffen die de microflora in de mond stabiel en gezond houdt. Bij weinig speeksel is de kans op cariës veel groter. In dat geval is cariës medische vervolgschade waarvan de behandeling niet is verzekerd.

Helaas heeft de huisarts ook weinig oog voor dan wel kennis van deze gevolgen. De huisarts waarschuwt patiënten te weinig voor de mogelijk nare gevolgen voor het gebit. Door van iedere Nederlander te eisen dat hij zelf de kosten van deze zorg moet dragen, laten we een relatief groot deel van de bevolking in de steek. Het gevolg is een grote tweedeling in de maatschappij.

Ik pleit ervoor om de mond als integraal deel van het lichaam te zien en de behandeling van ziekten van het gebit volledig in de basiszorgverzekering op te nemen. Dit kan natuurlijk niet zomaar worden ingevoerd. Er is een ander ‘businessmodel’ voor de mondzorg nodig.

In de jaren negentig is voor de medische zorg de commissie Dunning ingesteld. Hun rapport Kiezen en delen had, anders dan de titel doet vermoeden, geen aandacht voor de mondzorg. Het ministerie van Volksgezondheid zou het initiatief moeten nemen om een dergelijke commissie voor de mondzorg in te stellen. Goed verzekerde mondzorg maakt een eind aan een onterechte maatschappelijke tweedeling.

Albert Feilzer. Hoogleraar Algemene Tandheelkunde (ACTA, UvA en VU), bestuurslid van het Ivoren Kruis en research fellow van het Institute of Advanced Study (UvA). Beeld Monique Kooijmans
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden