Nico Dijkshoorn.Beeld Artur Krynicki

Moeten we er allemaal uitzien als een 23-jarige rapper?

Nico Dijkshoorn

Een jaar geleden stond ik voor een gebouw dat De Nieuwe Liefde heette. Nee, laat ik het beter zeggen: ik stond aan de andere kant van de gracht en zag hoe om de vijf minuten taxibusjes arriveerden. Uit die busjes stapten of rolden uitzinnige bejaarden. Alsof de Canadezen werden begroet en er met chocoladerepen werd gegooid. De armen in de lucht. Hoera, ze gingen een avond lang luisteren naar gesprekken over De Dood.

Ik zag het meteen. Zij kenden de dood. Ze werden iedere ochtend wakker naast een lokkend geraamte. Ikzelf was ternauwernood aan de dood ontsnapt en kwam daar over praten. Boekje getikt, bla bla bla, wat wordt je volgende boek, bloemen, volgende.

De avond werd gepresenteerd door Hadassah de Boer. Ik zat vooraan, keek achter mij en ik zag een zaal vol mensen handenwrijvend wachten. Zij gingen vanavond het onverwachte einde midden in zijn smoel uitlachen. Het waren ouders, samen met hun kind van 63 jaar oud. Ze zaten vlak naast elkaar en zij snapten het. Wat ik deed was stamelend vluchten in letters, maar zij, achter mij, omarmden het naderende einde.

Verpleeghuisarts Bert Keizer praatte ons bij over de teloorgang. Hij zei iets wat ik mij als volgt herinner: “Wanneer het niet zo goed gaat met oudere mannen, dan zie ik dat aan hun baard. Wanneer mannen van die lange haren rond hun adamsappel hebben, dan gaat het niet goed. Dan kunnen ze het blijkbaar niet meer opbrengen om die af te knippen.”

Er klonk gezoem en gerommel uit de zaal. Zesenveertig baarddragende mannen zaten tegelijk aan hun keel te voelen. Ik zag vrouwen naar de baard van hun man kijken.

Even voelde ik een golfje ‘ja maar’ door mijn lijf slaan. Ja, maar fuck, wat wilde die Keizer dan? Dat we er allemaal uitzagen als de 23-jarige rapper Yasus en dat we zes uur per dag driehoeken en cirkels uit ons baard stonden te trimmen? Maar al heel snel gaf ik mij over.

Bert had gelijk. Er viel niets meer te verbergen. We konden doen alsof het allemaal wel ging, het sterven van onze vrouw, het verlies van een kind, maar onze keel, onze dichtgeknepen keel waaruit langzaam een eenzame haar groeide, die verraadde ons.

Het was troostrijk. Vanaf nu zag iedereen aan ons, mannen met haartjes, dat we worstelden. ‘Kijk, een plukje haar uit zijn oor. Die heeft iemand verloren.’ Ik was aan de beurt. Als een herboren mens stond ik naast Hadassah de Boer. Ze keek naar mijn keel en het was goed.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in. Reageren? N.dijkshoorn@parool.nl 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden