Femke van der Laan Beeld Agata Nowicka

Misschien moet ik mijn dochter leren ruzie maken

Plus Femke van der Laan

We zijn een kleine lopende band, de oudste en ik, in het pashokje van de grote kledingzaak. Het is krap daarbinnen, maar het gaat. Ik haal shirts van hangertjes, klem broeken tussen knijpers, zij trekt aan en uit. We schudden, we knikken. De stapel slinkt.

We houden niet van winkelen. Allebei niet. We zijn er ook niet goed in. Ik dacht eerst dat dat aan mij lag. Dat winkelen een vaardigheid is die ik haar zou moeten bijbrengen. Tot haar zusje het wel bleek te kunnen. Uit zichzelf. Zij kan op een hanger zien hoe iets staat, snapt kleuren, patronen, stoffen. Ze heeft er bovenal plezier in. We gaan weleens met haar mee. Dan kijken we hoe ze zich beweegt, in zo’n winkel. Soepel. Vanzelfsprekend. In de blik van de oudste zie ik dan wat ik zelf ook voel: dit is mij wezensvreemd.

De oudste kijkt me aan via de spiegel. Met haar hoofd maakt ze een knikje naar links. Ze trekt haar wenkbrauwen op. Ik hoor het ook: er is irritatie in het hokje naast ons. Ruzie eigenlijk. Onze lopende band komt tot stilstand. Het zijn ook een moeder en een dochter. “Jezus, mam…” “…doe je zo moeilijk…” “…er klaar mee!” “…hetzelfde met jou…” “Jij…”

Ik kijk naar de mond van de oudste. Ze heeft slecht ­geslapen. Een nieuwe draad in haar beugel. Zere tanden. Ze is niet op haar best.

Ze zegt het al een tijdje tegen me. Dat ik blij met haar moet zijn. Als dochter. Dat andere dochters ruzie ­maken. Met hun ouders. Met hun moeders. Dat ik dat waarschijnlijk niet weet, maar dat het wel zo gaat. Bij anderen. Niet bij haar. Dan praat ik met haar mee en spreek ik mijn dankbaarheid uit. Zeg ik hoe fijn ik het vind dat we geen ruzie maken. Maar intussen probeer ik me voor te stellen hoe het zou zijn, ruzie met de oudste. Hoe we ­elkaar verwijten zouden maken. Onze stemmen zich zouden verheffen. Er komen geen beelden naar boven. Wezensvreemd.

Wij starten onze lopende band weer op. Ik luister half naar de ruzie naast ons. Naar hoe dat gaat. Soepel. Vanzelfsprekend. Als een vaardigheid. Een vaardigheid die ik haar misschien bij zou moeten brengen. Zodat ze, als haar tanden pijn doen, als ze slecht geslapen heeft, als ze in een pashokje staat, ruzie kan maken met haar moeder.

Ze trekt een shirt over haar hoofd. We schudden tegelijkertijd ons hoofd. Het gaat uit. Ze kijkt me weer aan via de spiegel. Haar vinger wijst naar links. Dan prikt ze ermee naar mij: “Dankbaar.”

Ze grijnst. Ik ook.

Met mijn armen maak ik een cirkel zo groot als het pashokje. Dankbaar. Zo veel.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees hier al haar columns terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden