Plus Column

Misschien hebben we het afgeleerd

Beeld Wolff

Over een paar minuten is iedereen in deze kleine betegelde ruimte praktisch in zijn blootje. Op een klein stukje zwarte, met de naam van de vereniging bedrukte stof na lopen we naar de douches en het vijftigmeterbad en kletsen honderduit.

Over een paar minuten is er niets aan de hand en hebben we een gezamenlijk doel: de machtige machines die onze lijven zijn in nog betere vorm en conditie brengen.

Maar dat is over een paar minuten pas. Nu neem ik het kleine trappetje naar de kleedkamer als een volkomen terecht ter dood veroordeelde middeleeuwse heks.

Waarom? De groet. De onmogelijke groet. Een ruimte met anderen betreden en gewoon een beetje opgevoed een opgewekt 'goedemorgen' laten klinken, lijkt on-­Hollands. Misschien zijn we het afgeleerd. Misschien konden we het in de middel­eeuwen wel.

'Goedemorgen landheer Tuijlenstein'

'Goedemorgen boertje! Lekker aan de ploeg?'

'Zeker weten landheer Tuijlenstein, die uien gaan zichzelf niet zaaien,hè.'

'Ha ha ha.' (Gezamenlijke bulderende middeleeuwse lach.)

Anno nu lijkt het ons niet meer te lukken. Ik kom dadelijk binnen, harde klik van de deur, misschien kijkt iemand op, da's dan een nieuwe, weet je meteen. En ik zal brommen: 'Gmmgn.'

Een paar zullen terugbrommen. 'Gmn.' Korter dan ik. Al is teruggroeten makkelijker dan beginnen.

Soms is er een die deze oer-Hollandse doe-maar-normaal­code doorbreekt:
'Goedemorgen!' Te vrolijk. Da's dan een gekkie, weet iedereen. Die groet zo debiel omdat ie geen codes kent, nog dronken is of op kantoor ook nooit wordt teruggegroet en zich daar inmiddels tegen heeft gewapend. Niemand zal enthousiast ­teruggroeten.

Wij zijn geen gekkies.

Niet groeten mag ook niet echt. Dat is ­onbeleefd. Dan kijken wij die er al waren elkaar zijdelings met opgetrokken wenkbrauwen aan. Geen mogge? Wat onbeleefd.

Vergeten zijn we hoe ongemakkelijk wij binnenkwamen. Of in ieder geval, vergeleken met deze boer waren wij bij binnenkomst landheren.

Wat geweldig is, mocht je dat geluk hebben: een natte jas, een doorweekte niet voor de regen bestemde jas. Dan kun je terwijl je je als een hond droogschudt het 'mogge' overslaan en meteen een welgemeend 'man wat een weer' laten klinken. Niet 'man wat een weer, hè?' zeggen, hoor. Je mag hen die hun binnenkomst net hebben kunnen wegmoffelen niet jouw kuil inslepen. Ook onbeleefd. Laat het in het midden hangen.

'Heb m'n eerste baantje al getrokken. Hierheen!' kan wél. Er zal zelfs iets van ontspanning kunnen ontstaan, merkte ik net. Al is nu iedereen wel weg. Sommigen pas half aangekleed, met een stapeltje ­kleren in de armen.

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van 'de' Amsterdammer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden