Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Mijn telefoon had ik van ‘stil’ afgehaald en toen ik werd gebeld, sloeg mijn hart even over

PlusTheodor Holman

Alles was gezegd.
“Oké, jongen. Sterkte.”
Ik drukte hem weg, haalde diep adem, liet een welgemeend ‘godverdomme!’ in mijn hoofd ontploffen en liep de slaapkamer uit waar ik had getelefoneerd.

“Hoe laat morgen?” vroeg mijn vrouw.

“Heb ik niet gevraagd.”

De volgende dag wandelden we, meer stil dan anders, naar de school van de kleinkinderen.

Zodra we ze de grote deur zagen uitkomen, klonk ons ‘Hallo lieverds!’ niet minder spontaan dan anders. We wandelden met ze naar huis. Ze vochten met elkaar kleine ruzies uit: wie mag de riem vasthouden, wie mag oma’s hand vasthouden, wie mag straks als eerste de poes aaien? Op alle vragen was hun antwoord ‘ik.’

Mijn telefoon had ik van ‘stil’ afgehaald en toen ik werd gebeld, sloeg mijn hart even over. Het was mijn dochter.

“Hoi pap, ik kom later. Is dat heel erg?”

“Nee, natuurlijk niet.”

“Er liggen trouwens krentenbollen voor ze boven in de kast… je weet wel.”

Wat een rotdag was het eigenlijk. Niet omdat je weet dat je slecht nieuws gaat krijgen, maar juist omdat om je heen een contrasterende vorm van vrede was neergedaald. Etende kindjes, een hond die op een stoel ligt te slapen, gerommel in de keuken, de geur van soep en een nazomerzon die een hoek van de kamer verlichtte.

De middag kroop voorbij. We gingen naar buiten met het fietsje en het skateboard en ik schrok van mijn eigen barsheid toen ik ten overvloede tegen Bloem zei dat ze niet met de fiets van de stoep af mocht.

Er waren beelden in mijn kop die ik niet wegkreeg. Eigenlijk waren dat ook fijne herinneringen: avonden in een kroeg, veertig jaar geleden, voorlezen van Nescio in een tent in 1971, de dichtbundel Het innerlijk behang van Hans Lodeizen die we voor elkaar gekocht hadden, maar ook herinnerde ik me de twintig jaar dat we geen contact hadden; verhuizingen, scheidingen, de rommel die je maakt tijdens het leven; een vriendschap die in stand werd gehouden met kerstkaartjes. Maar nadat hij weer in Amsterdam was komen wonen, was alles weer als vanouds geworden.

En toen, nadat ik weer een kleine ruzie had beslecht (‘Ik mag eerst drinken.’ ‘Nee, ik! Ik zei het ’t eerst.’) ging m’n telefoon.

Ik zag het op mijn scherm.

Zijn vrouw en ik spraken kort. Ik was even op de trap gaan zitten.

Terug in de kamer knikte ik naar mijn vrouw.

“Handen wassen en aan tafel!” riep ze.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden