Artikel Wit Beeld Agata Nowicka

Mijn ouders hadden gelijk, een studentenvereniging was niets voor mij

Plus Natascha van Weezel

Op het Rokin loopt een groepje meisjes. Ze dragen ­enorme witte luiers met daarop suggestieve bruine moddervlekken. Even vraag ik me af of dit de nieuwste mode is onder Ierse vrouwen die hun vrijgezellenfeest in Amsterdam komen vieren, maar al snel begrijp ik dat de ontgroening van het studentencorps weer is ­begonnen.

Een van de ‘grote baby’s’ spreekt me aan: “Mevrouw, weet u misschien waar het Jonas Daniël Meijerplein is?” Een secondelang overweeg ik haar expres de verkeerde kant op te sturen. Ik doe het niet. Op een blauwe maandag was ik namelijk zelf een feut. Weliswaar niet bij de ­Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging, maar een feut blijft een feut.

Tijdens de Intreeweek van de Universiteit van ­Amsterdam liet ik me verleiden lid te worden van een of ­andere studentenvereniging. De clichés van ­‘levenslange vriendschappen’ en ‘vijf dagen per week plezier’ spaken me als negentienjarige kennelijk erg aan. Mijn ouders waarschuwden dat een studenten­vereniging niets voor mij zou zijn. Waarschijnlijk gaf me dat als postpuber juíst het idee dat het iets voor mij was.

Ik herinner me nog goed hoe ik het gebouw betrad dat rook naar doodgeslagen bier. We kregen jurkjes waaraan bolletjes hingen. De ouderejaars hadden de opdracht die bolletjes eraf te trekken, waarna wij ze er zelf weer aan moesten naaien met naald en draad. Onze ­namen werden ingeruild voor nummers en we moesten het Io Vivat en het kennismakingslied (‘Wij drinken bier tot je niets meer kan’) uit ons hoofd leren.

Veertien jaar na dato kan ik niet exact reproduceren wat de ontgroening behelsde. Ik weet vooral nog dat ik het verschrikkelijk vond. Mijn jaargenoten en ik moesten als kikkers door de Leidsestraat springen en we werden verplicht om te speeddaten met pukkelige jongens. Zij keurden ons en maakten ranglijsten van ‘de lekkerste wijven’. De vele nachten waarin we werden wakker ­gehouden begonnen me na een paar weken op te ­breken en ik kon er totaal niet tegen dat we ons zo ­kruiperig en ­onderdanig mogelijk moesten opstellen.

Tijdens een nachtelijke dropping werd ik door de ­ouderejaars voor de zoveelste keer uitgescholden voor ‘dom en lui wicht’. Een meisje uit mijn toekomstige ­dispuut zag dat ik het moeilijk had en kwam naar me toe: “Nu is het even zuur, maar volgend jaar mag jij dit zelf doen bij de nieuwe feuten!” Ik keek haar verbaasd aan. Waarom zou ik het leuk vinden om een ander zoiets aan te doen? Dat was het moment waarop ik het bijltje erbij neergooide. Mijn ouders hadden gelijk, een studentenvereniging was niets voor mij.

Natascha van Weezel (33) is journalist. Elke dinsdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden