Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

Mijn moeder heeft mijn kinderen gekend. Ik ben een geluksvogel

Plus Roos Schlikker

Toen ik zwanger was van mijn oudste zoon stuurde mijn tante Christine me een kaartje. Erop had ze felicitatiewensen geschreven, gelardeerd met talloze uitroeptekens die als vuurpijlen op de pagina lagen. Maar in de enveloppe zat ook iets anders. Een zakje bloemzaad. Vergeet-me-nietjes. Voor het zusje dat een paar maanden daarvoor nog in mijn buik woonde.

Haar kaart hangt nog altijd op mijn prikbord. De vergeet-me-nietjes zijn inmiddels ook voor haar, want vier jaar geleden stierf ze, het jongste zusje van mijn moeder.

Afgelopen maanden groeide de buik van haar dochter. Deze week kwam er een meisje ter wereld. Ik zie het stralende hoofd van mijn nichtje op foto’s die ze me stuurt. Zo stralen kon haar moeder ook. Ik app vreugdewensen en uitroeptekens als vuurpijlen. Maar vanbinnen schrijnt het ook. Hier had je bij moeten zijn, Chris. Net als mijn moeder, die deze week twee jaar geleden overleden is.

Ik ben een geluksvogel, realiseer ik me. Want mijn moeder heeft mijn kinderen gekend. Zelfs het kindje dat geen leven kreeg. Een paar jaar geleden moest ik op Zorgvlied zijn vanwege de dienst van een vage bekende. Daarna liep ik langs haar plekje. Er stond een rare vaas op het perk. Een vaas die ik van vroeger kende. Wit, in de vorm van een vis, het gat waar een boeket in behoorde te staan vormde zijn opengesperde bek. Een zeldzaam lelijk ding. Maar eronder lag een stapeltje briefjes. De regen had de vulpenschrijfsels veranderd in een Rorschachvlek. Slechts enkele woordjes kon ik ontwaren. ‘Kusjes.’ ‘Mama.’ ‘Oma.’ Mijn moeder had me nooit verteld dat ze soms naar de begraafplaats ging. Toen ik haar ernaar vroeg, haalde ze haar schouders op. “Ach, ik kwam haar gewoon even gedag zeggen.”

Deze week zeiden we háár even gedag. Er is een kunstwerk op haar graf geplaatst. Mijn zoon ging samen met de herdershond van mijn vader pontificaal bovenop zijn oma staan, zijn armen gespreid. “Ik wil hier wel blijven,” riep hij vrolijk. Ik lachte. “Hij wordt zo mooi groot, mam. Je zou hem moeten zien,” zei ik zachtjes.

‘Je mist meer dan je meemaakt’ schreef Martin Bril. Dat klopt. Maar je maakt ook zo veel mee waarbij je haar mist. We moeten het doen met flarden van vroeger, met briefjes, met doorgelopen inkt.

Die avond lig ik bij mijn oudste. We mijmeren over oma. Over tante Tien die zo stralen kon. En over dat nieuwe kindje van wie we al houden nog voor we het hebben ontmoet. Langzaam valt mijn zoon in slaap.

Ik staar versuft naar de deken. En daar is ze, onder mijn huid. Mijn moeder. Ik zie steeds vaker haar handen in de mijne. Ik pak die van haar kleinzoon vast terwijl ik weet dat zij mijn vingers nooit zal loslaten.

Er worden kinderen geboren. En van gene zijde reiken de handen van hun grootmoeders naar hen. De handen dragen een vaas in de vorm van een vis. Met grote bossen vergeet-me-nietjes. 

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden