Column Artikel Roze Beeld Artur Krynicki
Column Artikel RozeBeeld Artur Krynicki

Mijn God, als U luistert, wat mis ik Paradiso

PlusNico Dijkshoorn

Ik wil naar een kerk. Mijn hele lichaam wil naar een kerk, want mijn God, als U luistert, wat mis ik Paradiso. De plek waar ooit alles begon. Waar mijn voortkabbelende adolescente leven opeens meer werd dan 24 keer per dag kijken of ik, na het succesvol ontwikkelen van schaamhaar, ook iets van een soort snor kreeg.

Zondag 27 november 1977 stond ik voor het eerst voor de deur bij Paradiso. Ik ging met mijn neef Wim naar The Stranglers. We waren allebei modepunks. Thuis had ik een veiligheidsspeld afgevijld, zodat het net leek alsof hij door mijn wang zat. Ik durf hier nu wel toe te geven dat ik aan mijn moeder heb gevraagd of ze hem voorzichtig om mijn lip wilde manoeuvreren.

Mijn neef was snel naar de kapper gegaan. Die vroeg hoe hij het wilde. “Punk graag, meneer.” Daar stonden we, tussen nog zeventig mensen die ook geen idee hadden wat punk nu eigenlijk was. Ik had wel meteen het gevoel dat netjes in de rij staan voor een concert niet heel erg anarchistisch was.

Eenmaal binnen zag ik voor het eerst het balkon, de ramen, een podium vol instrumenten, zag ik voor het eerst het gordijn bewegen en een band het podium op lopen, hoorde ik voor het eerst een drummer vier tikken vooraf geven en daarna was ik verkocht. Punk met een orgel, dat kon toen nog gewoon.

Ik stond rechts achterin de zaal en dat ben ik blijven doen. Nooit met de kin op het podium. Ik heb er prachtige dingen meegemaakt. Ik zag er Joe Jackson net doen alsof hij een wilde artiest was. Ik zag er Steve Earle van het podium kruipen om iemand vlak naast mij op zijn bek te slaan wegens onafgebroken gelul over de vakantie.

Ik zag Willy DeVille opkomen met een roos tussen zijn tanden. Ik zag Prince achter een piano Purple Rain zingen. Ik onderging Cypress Hill. Marc Almond zong Brel en verloor zijn stem. Hij was in tranen. The War On Drugs, bezeten hard.

De laatste keer Paradiso was met Tanja en mijn kinderen. We luisterden naar Wilco. Er kwam die avond veel samen. Jeff Tweedy die fluisterend zong over iets wat wij allemaal herkenden, maar waar we de woorden nooit voor hadden kunnen vinden. Ik keek naar het balkon. Daar zat ik ooit samen met mijn ouders en ze luisterden hand in hand naar Flaco Jiménez en Freddy Fender. Ik zag mijn moeders lippen bewegen. “Before the next teardrops fall.”

Ze kende de tekst.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in.

Reageren? n.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden