Column

Mijn droom lag op een stapel op het bureau van een verstrooide stagiair

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (36) probeert in Het Parool van maandag, woensdag en vrijdag iets van het leven te begrijpen.

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Mijn eerste boek schreef ik toen ik vijftien was. Gewoon met een pen. Een bordeauxrode Parker die ik van mijn leraar Duits had gestolen. Het boek, een koortsachtig kat-en-muisspel tussen een jongen en zijn ravissante gymlerares, ligt al een eeuwigheid in de bovenste la van mijn bureau.

Het boek heet Klimrok en als ik verdrietig ben, haal ik de negen A4'tjes uit de la en lees ik wat willekeurige zinnen.

'Vaak droom ik dat ik haar stopwatch ben. Zelfs als ze niet op de knopjes drukt, staat de tijd stil.'

'Het gras van het sportveld was iets langer dan vorige week, maar voor de rest was alles hetzelfde.'

De hele klas keek naar de bobbel in mijn sportbroekje. Ze wezen naar mijn verlengde verlangen. De juf nam me mee naar de kleedkamer en zei dat ik me nergens voor hoefde te schamen, terwijl ze met haar vingers over mijn schaamte streek.

Ze ging door haar knieën en zei dat ik mijn lul op haar hoofd moest leggen als een diadeem. Ik vroeg haar wat een diadeem was. Een soort hoofdversiering, zei ze. U bent te mooi voor verdere versiering, zei ik. Je hoeft geen u te zeggen hoor, je lul ligt op mijn hoofd, lachte de juf.'

Ik maakte wat kopietjes van het boek en stuurde het op naar alle uitgeverijen die ik kon vinden. Met twintig dikke, bruine enveloppen liep ik naar het postkantoor op de Koninginneweg. In elke envelop zat ook een kort, pretentieus briefje: 'Men spreekt vaak over levendige fantasie, maar ik heb een overlevendige fantasie. Door te schrijven, verdraag ik het leven.'

Ik wist vrijwel zeker dat ik binnen een week een brief zou ontvangen. Zo'n brief op deftig papier. Met aan de bovenkant het logo dat ook op de rug van al mijn favoriete boeken prijkte. Maar ik hoorde van niemand. Mijn droom lag ergens op een stapel op het bureau van een verstrooide stagiair. Mijn droom werd in slaap genegeerd.

Afgelopen woensdag stond in deze krant een boeiend artikel over die torenhoge stapels. De ongevraagd aangeboden manuscripten. En dat uitgeverijen maar één keer in de vijf jaar op iets uitgeefwaardigs stuiten. Eens in de vijf jaar. Een komeet maakt in vijf jaar tijd een rondje om de zon.

Ik kon woensdagnacht niet slapen, ik moest aan al die opgestapelde mensendromen denken. Aan al die miljoenen boeken. Aan al die verzonnen werelden. Aan al die schrijvers met pijn, de auwteurs. Ik moest denken aan al die buitengewone marsmannetjes en -vrouwtjes die als ruimteschroot worden behandeld.

En toch gaf het gek genoeg ook hoop, want ik weet dat al deze mensen zullen blijven schrijven. Mensen die willen schrijven, blijven schrijven. Ondanks alles.

En natuurlijk begrijp ik de uitgeverijen ook, niet elke goede ingeving hoeft uitgegeven te worden en afwijzing staat aan de wieg van grootsheid, maar toch. Maar toch. De onsterfelijke menselijke fantasie hoort niet thuis op een stapelkerkhof.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden