Artikel Wit Beeld Agata Nowicka

Mijn club staat in de finale. Leuk vooruitzicht, maar ik ben mezelf aan het opvreten

Plus Column

Mijn club staat morgenavond in de finale van de Champions League. Een prachtig vooruitzicht, ware het niet dat ik mezelf compleet aan het opvreten ben. Zo voelt het echt. Het voelt alsof ik met mijn vrouw en kind op een onbewoond eiland ben aangespoeld. Het is geen mooi eiland. Er zijn geen dieren en er groeien geen planten. God heeft dit eiland alleen maar gemaakt om de zee in de weg te zitten. Het is geen toevluchtsoord voor mensen maar een obstakel voor het water.

Na een dag of twee beginnen mijn vrouw en zoon echt honger te krijgen. En ik ook. Ik kan alleen nog maar aan eten denken. De wallen onder hun ogen zijn auberginekleurig, de wolken hebben iets van rijstwafels weg en de zon lijkt op een bolletje mango-ijs.

In de nacht snijd ik met een mes de kuiten van mijn benen af. Ik bak mijn kuiten in een wok die ik van schelpen heb gemaakt. Dan schud ik wat zeezout uit mijn baard en hoor mijn vrouw en zoon wakker worden. Ze kloppen de zandvlooien van zich af en kijken naar de pan in het vuur. De volgende dagen bak ik mijn dijen en mijn billen. En zo voel ik me nu. Vleesloos en onzeker.

Vorig jaar stond mijn club ook in de finale. Ik ben niet zo heel goed in finales. En ik ben niet zo heel goed in hoop. Hoop is een moordenaar die vandaag hoort of hij vroeger vrijkomt. Hoop is je nummer op een bierviltje schrijven en vertrouwen hebben in het feit dat dat meisje het viltje niet kwijtraakt terwijl ze van de kroeg naar huis fietst. Hoop is het weerbericht van een regionale zender. Hoop is een dochter hebben die vandaag even niet langs het huis van een te vroeg vrijgelaten moordenaar jogt.

Het vervelende aan finales is dat de val zo hoog is.

PSV vloog er dit jaar in de eerste ronde uit, wat natuurlijk vervelend is, maar er in de eerste ronde uitgaan, is hetzelfde als van een keukentrappetje vallen. De volgende dag ontwaak je met een blauwe plek en een korstje op je lip. Een finale behalen en verliezen levert botbreuken en een gekneusde ziel op. Vorig jaar, na de verloren finale tegen Real Madrid, heeft mijn hart zeker drie weken met krukken moeten kloppen. De val duurde zo lang dat ik tijdens het vallen de klim begon te ­haten.

Gelukkig zag ik vanochtend een interview met trainer Jürgen Klopp. Hij bracht zijn rechtervuist naar zijn borst toe en sloeg zo hard op zijn ribbenkast dat ik zijn tenen kon horen breken. Ik zag onze trainer en ik voelde weer waarom ik al zo lang verliefd ben op de voetbalsport. Niet vanwege de schoonheid, de prijzenkast of die nieuwe spits, nee, ik ben verliefd op voetbal vanwege de emoties. De pijn. De wanhoop. En de hoop. Het dweilen met de kraan open en het toch droog proberen te houden. Als ik naar Klopp kijk, zie ik mezelf. Zijn ogen zijn mijn ogen. Zijn twinkeling is mijn twinkeling. En als het morgen weer niet lukt, zijn de tranen van de trainer mijn tranen.

Maar als het wel lukt dan is zijn sprintje van de ene hoekvlag naar de andere hoekvlag ook mijn sprintje. Dan is zijn hartstocht mijn hartstocht.

Ik hoop dat we morgen de beker met de grote oren winnen. Ik gun het de beker. Dat ding heeft zulke grote oren gekregen zodat het naar mooie verhalen kan luisteren. Geen enkele club heeft mooiere verhalen dan Liverpool.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden