Plus Column

Met twee gitaren in een scheurende taxi

Thomas Acda Beeld Wolff

Het is donderdagavond en ik rij over de Rozengracht naar huis. Beter gezegd: ik word naar huis gereden. De nacht dat Koos Alberts tegen een boom reed, was een waarschuwing aan alle artiesten in Nederland: bespaar nooit op chauffeur en vervoer.

Sindsdien heb ik een roadmanager. ­Vanuit mijn luie stoel, waar ik nog even een staartje Jinek meepik, zie ik een jongen met een gitaar op zijn rug zwalkend over de stoep muziekzaak Dijkman passeren. Dronken, die jongen. Dijkman is dicht. Man, wat is die collega dronken!

In een flits herinner ik me het muzikantenaangeschotenschap uit mijn eigen jeugd. Na een optreden in Toomler was ik met mijn twee gitaren een taxi in gestruikeld. De chauffeur besefte eerder dan ik dat ik nogal in de lorum was en besloot mij zo snel mogelijk weer te lozen.

Hij scheurde als een Max Verstappen door de stad en ik was het Concertgebouw nog niet uit het oog verloren of we waren het Leidseplein al gepasseerd. Tel daarbij op dat aan de binnenspiegel een op een ananas gelijkende spons hing die een lucht verspreidde die niet bepaald fresh genoemd kon worden.

Op de Constantijn Huygenstraat kokte ik dat hij beter kon stoppen. Worstelend met de twee gitaarkoffers verliet ik de taxi en haalde de verse zomeravondlucht mijn longen in. Ik frommelde een tientje tevoorschijn. Het bleek genoeg. Nu stond ik op een brug met twee koffers, misselijk als een scheepskat.

Ik besloot even te zitten. Daarna om te gaan liggen. Met mijn hoofd op één gitaarkoffer en de andere onder mijn benen lag ik best lekker. Heel lekker! Mijn bed kon er wel uit, besloot ik. Koffers. Gat in de beddenmarkt! Mooie zomeravond.
Ik keek of ik sterren zag, maar boven me verscheen ineens een agentenhoofd.

"Hallo..."

"Dahaag...", zei ik en ik probeerde om hem heen de sterren alsnog te bekijken.

"Ga je mee...?"

"Waarheen?"

"Naahaar huis...", zong het hoofd.

Ik herkende mijn eigen werk en oehoe-de samen met de agent en zijn collega de politieauto in. Ze brachten me thuis.

Nu vraag ik mijn roadmanager te stoppen naast de zatlap en roep: "Kunnen we je een lift geven?"

Hij kijkt me even aan en schiet meteen daarna een shoarmazaak binnen waar ik hem om hulp zie vragen aan de vleessnijder van dienst die met een groot zwaard in zijn hand, onder de letters op de ruit door, mijn bus in tuurt.

"Gas", zeg ik.

We rijden gelukkig al voor de twee buiten zijn. Een busje dat je 's nachts een lift aanbiedt is vandaag de dag zelden goed nieuws, begrijp ik nu ook.

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van 'de' Amsterdammer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden