Erik Jan Harmens. Beeld Artur Krynicki
Erik Jan Harmens.Beeld Artur Krynicki

Mensen met autisme beschikken wél over empathische vermogens

PlusErik Jan Harmens

Mijn autisme zit van binnen. Van de buitenkant is er niets aan mij te zien. Ik fladder niet, zoals Naoki Higashida in zijn autobiografie, The Reason I Jump. Ik streel geen jurkjes van jonge meisjes, zoals Lennie in John Steinbecks roman Of Mice and Men. Ook roep ik niet “246!” als een serveerster een beker tandenstokers uit d’r handen laat glippen, zoals telmaniak Raymond Babbitt doet in de film Rain Man.

In plaats daarvan help ik met opruimen, al was het maar om te bewijzen dat mensen met autisme heus wel over empathische vermogens beschikken. De serveerster liet de tandenstokers vallen, ik help ze op te rapen, anders moet ze dat alleen doen en alleen is maar alleen.

Die vaststelling is net zo overbodig als dat nu in de voorbeschouwing op het EK voetbal wordt gezegd: “Nederland is geen Frankrijk.”

Klopt, denk ik dan, en daar achteraan denk ik: Nederland is ook geen… en dan som ik alle andere 194 landen ter wereld in alfabetische volgorde op.

Mensen met autisme beschikken wél over empathische vermogens. Sterker: we leven ons te véél in anderen in.

In de supermarkt bijvoorbeeld hou ik als een scherpschutter in de gaten of iedereen wel overal bij kan. Zie ik een oud vrouwtje begerig naar een fles advocaat op de bovenste plank van het schap kijken, dan word ik een hijskraan van 1,90 meter en takel ik de boodschap heelhuids naar beneden.

Als op straat iemand zo in de content op zijn smartphone verdiept is dat hij hard tegen een lantaarnpaal opbotst en neervalt, lach ik ’m niet uit. In plaats daarvan kniel ik en vraag: “Gaat het?” Krijg ik geen antwoord, dan zeg ik (ook tegen mezelf): “Geen paniek” en bel ik 112.

Ik ben een volwaardig lid van de samenleving. Als ik langsloop zie je een bedaarde man. Meestal glimlach ik, maar soms heb ik de bokkenpruik op. Dat is eigenlijk altijd omdat de dingen niet gaan zoals ze horen te gaan: er loopt iets spaak.

Bijvoorbeeld: ik stuur iemand een e-mail of appje en krijg maar geen antwoord. Steeds check ik het door mij verzonden bericht uit angst dat ik me ongelukkig heb uitgedrukt. Ik had dat moeten schrijven, of nee: dát. Ik had in elk geval niet dít moeten schrijven.

Hier blijf ik over nadenken, steeds panischer, net zo lang tot ik alsnog een reactie krijg. Die is doorgaans neutraal of zelfs positief van toon – heb ik me voor niks zo druk gemaakt.

Ik stuur niet meteen een reactie terug, anders lijkt het alsof ik de hele dag heb zitten wachten tot ik antwoord kreeg. Dat is ook zo, maar dat hoeft die ander niet te weten.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden