Femke van der Laan. Beeld Agata Nowicka

Meestal antwoord ik met een ‘Moedig voorwaarts’

Plus Femke van der Laan

Als ik mijn fiets op slot heb gezet en mijn handdoek uit mijn kratje haal, zie ik hem staan. Bij de prullenbak voor de ingang. De man die mij in de sportschool altijd begroet met een opgestoken hand en een ferm uitgesproken “Tegen de aftakeling.” Diezelfde hand verdwijnt nu in de prullenbak. Zijn gezicht heeft hij weg­gedraaid, hij staart naar de straat. Zijn blik is geconcentreerd. Alsof hij luistert. Alsof hij wil horen wat zijn vingers voelen.

Als hij mij ziet, komt hij overeind. Zijn arm komt tevoorschijn. Zijn hand laat hij rusten op de rand van de prullenbak.

“De aftakeling is begonnen.”

De sportschoolman steekt zijn andere hand op. De hand die niet in de prullenbak is geweest. Hij houdt een kassabonnetje tussen drie vingers. Even steekt hij zijn onderlip naar voren. “Ik gooide het verkeerde weg. Mijn sleutels liggen erin.”

Meestal antwoord ik met een “Moedig voorwaarts” en dan gebaar ik richting horizon. Nu weet ik het niet zo goed. “Oeh,” zeg ik zachtjes.

De man lijkt naar mijn armen te kijken. Hij fronst. ­Alsof hij probeert in te schatten of mijn armen dunner zijn dan die van hem. Of langer. Of zelfs allebei. Dan zou ik er goed bij kunnen, bij zijn sleutelbos. Ik ben bang dat hij het me gaat vragen. Ik wil mijn hand niet in de prullenbak steken.

“Ik heb dat ook weleens, dat ik het verkeerde weggooi,” zeg ik snel. Ik kijk naar de hand op de rand van de prullenbak. “Thuis.”

De man zucht. Hij bukt en zijn arm gaat weer naar ­binnen.

“Vooral messen. Ik denk dat ik er elke week wel eentje uitvis.” Ik overdrijf. Om te laten zien dat ik mijn aandeel heus wel neem. Dat ik niet altijd wegloop als er in prullenbakken gegraaid moet worden. Dat ik weet hoe sinaasappelprut en koude rijst voelen. Om te laten zien dat ik nu niet aan de beurt ben. “Maar ik denk dat ik het ook heel vaak niet doorheb, dat ik er weer eentje weg heb gegooid. Ik heb veel meer vorken dan messen thuis.” Dat laatste is wel waar. Het zijn er inmiddels twee keer zoveel.

De sportschoolman reageert niet. Hij kijkt weer geconcentreerd. Luistert naar het binnenste van de prullenbak. Ik praat ook niet meer. Ik luister mee. Ik hoor niets, tot de man “Ja!” roept en zijn sleutels tevoorschijn trekt.

“Wat fijn!” roep ik. Ik hoor hoe opgelucht ik klink.

“Zo.” De man wijst met de sleutels naar de ingang van de sportschool. “Kom,” zegt hij. “Tegen de aftakeling.”

“Moedig voorwaarts,” gebaar ik richting horizon. Even later hou ik de deur voor hem open.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden