null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Marjolein en ik kusten lang en veel

PlusTheodor Holman

Na het eindexamen moesten we een maand wachten op de uitslag.

Mijn vrienden heetten Frank Zappa en Bob Dylan en ik sliep met Hans Lodeizen. Ik had liefdesverdriet om Frouke. Als het te erg werd, ging ik naar buiten.

Ik kwam Marjolein tegen. Marjolein was niet mooi, althans, wij jongens maakten gruwelijke grappen over haar stomme kleren (wijde plooirokken die mijn moeder ook droeg en platte pennyshoes, witte kniekousen en ik herinner me een truitje van groen velours).

Marjolein en ik (groene legerjas, bordeelsluipers, haar ver over de schouders) waren Venus en Mars. We spraken nooit met elkaar. Maar toen, in het Vondelpark, raakten we met elkaar in gesprek.

“Hoe heb jij het gedaan?” vroeg ik.

“Goed… Ik vond wiskunde moeilijk. Maar zeker voldoende. En jij?”

“Ik red het wel.”

“Fijn,” zei ze.

Fijn was een woord dat toen iets neerbuigends had, iets bekakts, afstandelijk.

“Wat is dat voor boekje?” vroeg ze.

“Hans Lodeizen,” zei ik.

Even later las ik haar gedichten voor, zittend op het gras. Zij op mijn jas, want haar rok mocht niet vuil worden.

Ik staarde achteloos naar haar witte kniekousjes en als ik na een strofe opkeek en zij haar ogen dichthield, loerde ik naar haar borsten. Ik ging iets dichter bij haar hoofd zitten en niet lang daarna waren we aan het zoenen.

We kusten lang en veel. Af en toe hoorde ik “Nee, nee…” en dan deed ik niet wat ik van plan was.

En toen moest zij naar huis.

Ik liep met haar mee. Ze woonde in de De Lairessestraat.

Op de hoek bij de Cornelis Schuytstraat zei ze: “Mijn moeder mag je niet zien en mijn vader schiet je dood.”

Ze gaf me een kus en huppelde weg.

Hoe nu verder?

Ik belde, maar ze hield toch van Willem. Ik kende Willem. Hij hockeyde bij Hockeyclub Amsterdam. Mijn sport was joints roken.

Af en toe passeerden Marjolein en ik elkaar in ons leven.

Zij werd een weledelgestrenge vrouw die een wat slome raadsheer op de kop had getikt. Willem was in het studentengewoel ten onder gegaan.

Ergens in de jaren tachtig verhuisde ze naar Limburg.

Om haar naam zat gisteren een rouwrand. Voorzitterschappen, een ridderorde, prijzen…

Zou ze nog wel eens aan me gedacht hebben? En aan Hans: ‘(…) Terwijl mijn gedachten als een sproeier in de tuin ronddraaiden/ Mijn lichtgevende dromen mijn sterren (…)’

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden