Opinie

‘Mag ik de 06 van Prins Pand, op zoek naar een betaalbare kamer?’

Een appartement heeft hij al uit zijn hoofd gezet, maar zelfs een betaalbare kamer of een woongroep is voor een 31-jarige theaterdocent als hijzelf onhaalbaar, schrijft woningzoekende Jelle Zijlstra. 

‘Nog steeds reageer ik wekelijks braaf op het aanbod sociale huurwoningen op Woningnet.’ Beeld Rosa Snijders

Ik ben 31 jaar en in de wereld die mij als kind door mijn ouders en door de ­reclames op televisie werd voorgespiegeld had ik inmiddels allang een zonnige twee-onder-een-kapwoning moeten bezitten. Eentje met een tuin en een logeerkamer.

In diezelfde zonnige wereld had ik een leuke, spontane vriendin gehad (ze heet Sanne, of zoiets) en wellicht hadden we zelfs al aan kinderen gedacht. Of beter zelfs: er rolde een dikke, blozende baby over het tapijt.

De realiteit lijkt in geen enkel opzicht op dit visioen. Sanne heb ik nog niet ontmoet (mag het ook een Sander zijn?) en mijn carrièrekeuzes (ik ben theaterdocent) zijn ietwat ongelukkig uitgepakt. Zodoende creperen incidentele logés op een dun matje op de vloer en op het mistroostige balkon van de flat waar ik woon, is zonlicht ver te zoeken.

Ik betaal momenteel bijna 900 euro huur voor een kamertje in Oost. En dus ben ik op zoek naar een betaalbare kamer in mijn geboortestad. Een kamer ja. De mogelijkheid van een ­appartement voor mij alleen heb ik al lang geleden verbannen naar het rijk der fabelen.

Toen ik 21 jaar was, schreef ik mij in op ­Woningnet. Nog steeds reageer ik wekelijks braaf op het aanbod sociale huurwoningen. Naast elke woning die wordt getoond staat een dreigend rood balkje met daaronder de deprimerende woorden ‘slaagkans zeer laag’.

Op woningen in de vrije sector reageerde ik ook, maar de absurde inkomenseisen en de op bloedmooie tweeverdieners met een ‘work hard, play hard-mentaliteit’ gerichte advertenties zorgden ervoor dat ik daarmee stopte. Een huis met een daktuin en een sportschool in de kelder is kennelijk niet voor mij weggelegd.

Kamers en woongroepen

Mijn zoektocht richt zich dus noodgedwongen op kamers en woongroepen, maar zelfs die blijken haast onhaalbaar. Hospiteren in Amsterdam houdt in dat je overgeleverd bent aan de grillen van schimmige huisjesmelkers, maar vooral aan de wonderlijke procedures en wensen van de – vaak door duizenden wanhopige woningzoekenden belaagde – bewoners van huizen waarin iets vrijkomt.

Zo was ik laatst in een woongroep in West. Na een ontspannen hospiteeravond kreeg ik te ­horen dat de bewoners twijfelden tussen mij en een andere kandidaat, waardoor ik een tweede keer mocht komen opdraven en me een tweede keer op mijn paasbest presenteerde. Helaas bleek het jurypanel een ‘lichte voorkeur’ voor de andere huiszoekende te hebben.

Kort daarna in een ander huis, kreeg ik, na een gezellige hospiteeravond met wijn en sigaretten, te horen dat de vrij te komen kamer toch niet vrijkwam.

Niet veel later bezocht ik een huis waarvan de bewoner na de hospiteersessie besloot tóch liever met zijn goede vriend samen te willen ­leven.

Envelopje langsbrengen

Ik bezocht een naar sigarettenrook riekende studio, waarvan de uitbater me te verstaan gaf dat ik me niet kon inschrijven op het adres en dat de huur het beste in een envelopje langs ­gebracht kon worden.

Een kamer met uitzicht op de snelweg bezocht ik ook. Een kamer in een krakerig grachtenpand, en nadat ik vier weken in spanning had gewacht kwam het bericht dat de kamer in het krakerige grachtenpand weer net naar een ­ander ging. Ik sprak een huisbazin die zei dat ze zich gauw bekneld voelde en zich liever niet vastpinde op verhuur langer dan drie maanden. Ik goede hoop, zij bindingsangst.

Vorige week kreeg ik bericht van een woongroep waar ik een uitvoerige motivatiebrief naar had gestuurd. ‘Helaas voor mij, was ik niet uitgenodigd op de hospiteeravond’. Toen ik vroeg naar de reden (misschien lag het aan mijn brief? Mijn foto? Mijn handschrift?) bekende de dame in kwestie dat ik van alle kanten zo was aangeprezen (er had zelfs iemand gebeld met een lofzang op mijn persoon), dat men daar ­recalcitrant van werd en zodoende tot het ­besluit was gekomen me niet uit te nodigen.

Ik wist niet of ik moest lachen of huilen.

Kamer in eigen stad

Ik ben 31 jaar en al zeven maanden op zoek naar een kamer in de stad waar ik werd geboren, waar ik naar school ging en waar ik werk. Terwijl ik hospiteersessie na hospiteersessie ­afstruin, zijn mijn buren zelf nooit in hun ­appartement. Ze verhuren het vrijwel door­lopend aan Britten en Italianen.

Gelukkig mag ik binnenkort weer hospiteren. De procedure bestaat uit twee ronden; als je de eerste ronde, die uit individuele gesprekken met alle toekomstige huisgenoten bestaat, overleeft, ga je door naar de tweede ronde: met de hele woongroep bier drinken in de kroeg. Het voelt als een ingewikkelde sociale boobytrap, ontworpen om het weer nét niet te worden.

Al een tijdje probeer ik aan het telefoonnummer van prins Bernard jr. – grootgrondbezitter, ondernemer in de Formule 1 – te komen. Prins B, alias Prins Pand, schijnt ergens nog wat panden te verhuren.

Degene die mij aan het telefoonnummer van deze machtige huisjesmelker kan helpen, wint een experience: Een Hunger Games-achtige hospiteeravond from hell met zestig gestreste bloeddorstige dertigers, die snakken naar een woning. Een ervaring die je niet wilt missen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden