Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Liefde in tijden van corona

PlusTheodor Holman

Vondelpark. Diep in de nacht. Uur of drie. Het is ijskoud. Koosje gromt opeens.

Ik roep hem. Op een bankje – verscholen in het duister – zitten een jongen en een meisje. Ze zitten in elkaar. Zijn handen schrikken van mij, net als haar benen.

“Koos! Hier!” roep ik.

Koosje gaat braaf tegenover hen zitten en kwispelt. Hij ruikt vermoedelijk iets wat hij associeert met voedsel.

“Koosje! Hier!”

Ik ben mijn pedagogische vermogen kwijt en heb het waarschijnlijk nooit gehad.

Het meisje is vertederd en aait hem; de irritatie van de jongen begrijp ik.

Koosje weigert nu helemaal naar me te luisteren.

Ik zwaai met mijn riem, ten teken: ik kom eraan om hem vast te nemen.

“Ik houd afstand, hoor,” zeg ik, omdat de pedagoog toch niet helemaal in mij verdwenen is. Ik wil laten weten dat ik niet al te dichtbij kom en hoop dat ik suggereer dat zij te dicht op elkaar zitten en half liggen. Tegelijkertijd besef ik dat ik op die leeftijd, onder dezelfde omstandigheden, hetzelfde zou hebben gedaan: ze zeggen wel dat liefde alles overwint, maar het is ook een vernietigende kracht waardoor je onverantwoorde risico’s neemt.

Als ik Koosje aanlijn, zie ik dat zij bibbert.

“Koud hẻ? Het is de oostenwind. En toch is het lente,” zeg ik.

Ik ouwehoer maar wat en wil bij ze weg. Koos wil zich aanvankelijk niet laten wegtrekken.

Melige opmerkingen – “Jullie houden je ook mooi aan die anderhalve meter, en niet vergeten twintig seconden jullie handen te wassen hè, als jullie thuis zijn” – houd ik maar met moeite binnen.

Liefde in tijden van corona. Hoewel ik in mezelf glimlach om het poëtische tafereel, stemt het me droevig. Door de stiekeme liefde, door de kou, door de duisternis; het heeft iets onmachtigs en scheurt iets af van het gewenste morele gedrag dat voorschrijft afstandelijk te zijn.

Ik loop door. Na zo’n honderd meter draai ik me om.

In het flauwe schijnsel van een lantaarn die ook al geen zin heeft om ze te verlichten kan ik hun silhouetten zien. Een late fietser gaat aan ze voorbij, net als een jogger die op dit uur zijn conditie op peil wil houden.

Ik laat Koosje nog even los, zodat hij lekker kan rennen, maar zodra hij van de riem af is, rent hij kwispelend naar het verliefde stel.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden