Alice van Binsbergen.

‘Laten we hopen dat verwensingen als ‘krijg de k(ó)rone’ snel ingeburgerd raken’

Het Parool Columnfestival

Het Parool Columnfestival is weer van start gegaan onder Amsterdamse middelbare scholieren. Deze keer is het de beurt aan Alice van Binsbergen en Nikki Ende.

Alice van Binsbergen, Gerrit van der Veen College, 4 havo: ‘Laten we hopen dat verwensingen als ‘krijg de k(ó)rone’ snel ingeburgerd raken’

Iedereen die een beetje taalkundige belangstelling heeft, kent dat merkwaardige fenomeen in het ­Nederlands: de verwensing gebaseerd op een ziekte.

Hebt u even? Daar waar met ‘kanker’ aan een taboe wordt geraakt, zijn tering, klere, tyfus en pleuris algemeen bekend en relatief geaccepteerd. De bijbehorende ziekten – tuberculose, cholera, tyfus en pleuritis (eufemisme voor tbc) – zijn namelijk zo goed als uitgeroeid.

De pest is volledig ingeburgerd met het werkwoord pesten, terwijl (samenstellingen met) pokken, schurft, etter, takke (attaque), leplazarus (lepra) en schompes (scheurbuik) een soort Hollandse gezelligheid met zich brengen.

Hoe kunnen we de kansen van het hoog actuele coronavirus ­inschatten om opgenomen te worden in dit illustere rijtje van typisch Nederlandse verwensingen?

Daarbij zijn drie voorwaarden van belang.

De eerste is de factor tijd. Volgens taalgeleerden is de fijne Hollandse traditie van de ziekteverwensing ontstaan in de tijd dat de betreffende ziekten niet te genezen waren. Dat is voor ons het geval met het woord kanker, wijdverbreid maar toch ondergronds en taboe, zonder die gezellige grofheid van de pleurislijer. Pas als een ziekte uitgeroeid, te voorkomen of behandelbaar is, kan er kennelijk openbaar mee verwenst worden.

De tweede voorwaarde is dat de naam van een ziekte creatief kan worden gebruikt, als werkwoord en in samenstellingen. Tyfus geeft optiefen, met de pleuris kun je oppleuren en de tering hangt samen met wegteren, terwijl je met pokke-, klere- en takke- lekker je boodschap kracht kunt bijzetten.

Een derde voorwaarde voor succes is klank. Geef toe, pleuris, pokke, takke, klere, tering en tyfus bekken nou eenmaal lekkerder dan griep, mazelen, Sars of malaria.

Grapjes over coronabier en de Toyota Corona tierden welig voordat de Nederlandse ziekenhuizen volstroomden met patiënten, nu is het lachen de meesten vergaan.

Net als kanker vaak met het eufemistische ‘K’ wordt aangeduid, zijn nu al gevallen van ‘C’ gesignaleerd. Met corona valt niet te spotten.

Wellicht duikt corona her en der op als krachtterm, maar wijd­verbreid en sociaal min of meer geaccepteerd zal het pas worden als het virus tot een recent verleden is gaan behoren.

Aan de creatieve mogelijkheden van het woord corona zal het, naar verwachting, niet liggen. Werkwoordsvormen zijn mogelijk (koronen, kronen), net als samenstellingen.

Opvallend is de klankgelijkenis met cholera, waarbij de verbastering ‘krone’ net zo succesvol zou kunnen worden als ‘klere’. Zoals cholera verwant is aan het Franse colère (boosheid), is corona terug te leiden tot het Latijnse woord voor kroon. En laat het oer-Hollandse kroon zich nou net ideaal lenen voor nieuwe samenstellingen, op het model van de plat Amsterdamse kólerelijer – met zelfs een derde lettergreep voor wat extra kracht.

Laten we hopen dat verwensingen als ‘krijg de k(ó)rone’ snel ingeburgerd raken, dat zal immers het teken zijn dat we deze vreselijke ziekte te boven zijn.

Nikki Ende.

Nikki Ende, Montessori Lyceum Amsterdam, 4 vwo: ‘Weer fiets ik als een boze tomaat door de weilanden’

Vandaag zat ik weer eens chagrijnig op de fiets. Zoals ongeveer elke week. Boos op mijn broertje.

Altijd als we op het punt staan om te vertrekken moet hij binnen nog iets pakken. Ik word chagrijnig, waardoor we de vijftien minuut lange fietstocht naar het station niks tegen elkaar zeggen. Als we op het treinstation aankomen is mijn chagrijnigheid meestal voorbij. Waarschijnlijk omdat ik er dan achter kom dat ik me voor niks heb druk gemaakt.

Maar vandaag was anders. Ik had gezien dat we een redelijke tegenwind hadden, dus was van plan om vijf minuten eerder te vertrekken. Terwijl ik mijn schoenen aan het aantrekken was, was mijn broertje nog lekker zijn broodjes aan het smeren. Dus in plaats van vijf minuten eerder vertrokken we vijf minuten later.

Terwijl ik licht chagrijnig mijn fiets pak, zie ik dat mijn oortjes echt heel smerig zijn. Écht heel smerig. Als ik naar binnen ren om ze schoon te maken, zeg ik tegen mijn broertje: “Ga maar alvast,” in de veronderstelling dat hij op de oprit op mij zal wachten.

Na dertig seconden kom ik weer buiten en zie hem wegfietsen. Dat was niet helemaal mijn bedoeling, maar ik dacht: die fietst wel rustig vooruit. Niet dus. Hij fietste op zijn normale tempo vijfhonderd meter voor mij uit, zonder te wachten of rustiger aan te fietsen.

Nu was het toppunt bereikt. De hele fietstocht heb ik vijfhonderd meter achter hem gefietst, terwijl ik hem aan het uitschelden was, hopend dat hij in de sloot zou flikkeren.

En zoals voorspeld, hadden we harde tegenwind, dus daar werd ik ook niet echt gelukkiger van. Je had me moeten zien. Als een soort boze tomaat fietste ik door de weilanden.

Ik weet niet, misschien heb ik er een te goed hart voor, maar ik kan niet zo goed lang boos op iemand zijn. Want zodra de trein van het station vertrok, begon ik me al schuldig te voelen. Schuldig omdat ik zonder reden boos op hem was. Ik begon steeds meer in te zien dat ik dit allemaal zelf had veroorzaakt, dat ik boos op mezelf zou moeten zijn. Ík ging naar binnen om mijn oortjes schoon te maken. Ík zei hem dat hij alvast kon gaan.

Op de fiets had ik met mezelf afgesproken dat ik de hele dag niks meer tegen hem zou zeggen, maar toen mijn broertje en ik vanaf metrostation De Pijp naar school liepen en hij me vroeg welke vakken ik die dag had, wist ik dat me dat niet zou lukken.

Maar heb ik hier iets van geleerd? Misschien wel, misschien niet. Waarschijnlijk heb ik wel iéts geleerd. Maar ik weet donders goed dat volgende week diezelfde boze tomaat weer door de weilanden fietst.

Vanwege het reces van de gemeenteraad is de Republiek Amsterdam met zomer­stop. De ruimte wordt nu beschikbaar gesteld aan Amsterdamse ­scholieren, die de lezer meenemen in hun belevingswereld: een samen­werking van productiehuis Nowhere en Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden