‘De kunstinstellingen zijn dicht, maar het creatieve proces van veel makers is daar niet van afhankelijk.’

Opinie

‘Laat de culturele sector ophouden zich voortdurend te verontschuldigen’

‘De kunstinstellingen zijn dicht, maar het creatieve proces van veel makers is daar niet van afhankelijk.’Beeld Getty Images

Veel steunbetuigingen voor de kunstsector zijn voorbij gekomen. Toch ontbreekt er nog iets, schrijven vader Emile en dochter Judith Schrijver. Het bestaansrecht van kunstenaars. 

Zo’n beetje alles wat er geschreven zou kunnen worden om de kunsten in tijden van crisis een hart onder de riem te steken, is in de afgelopen weken wel geschreven. Hun kwetsbaarheid, hun altijd weer onderschatte economische belang, de onzekere financiële en maatschappelijke positie van het overgrote deel der kunstzinnige makers (en culturele instellingen) en de waardering van het publiek voor alle belangeloze initiatieven om vooral online zichtbaar te blijven. Wij, museumdirecteur en jonge, vrije kunstenaar, laten ons die steunbetuigingen graag aanleunen. Maar er knaagt ook al langere tijd iets.

Het begint met de defensieve toon die al weken wordt aangeslagen. Veel jonge kunstenaars worstelen na hun opleiding met iets wat zich helemaal niet binnen hun eigen vak afspeelt, maar daarbuiten: hun bestaansrecht. In een interview in deze krant op 2 mei 2020 laat actrice Malou Gorter zien dat dat gevoel in de loop van een succesvolle carrière niet per se verdwijnt: “De constante inprenting van jaren – dat we een linkse hobby en subsidieslurpers zijn – heeft ons iets aangedaan, we hebben ons dat waanidee toegeëigend… Wat ik nu denk te voelen, is dat steeds meer kunstenaars denken: en nu is het genoeg. Wij zijn wél belangrijk. Zonder ons zou er heel veel niet zijn.”

Laat de culturele sector daarom ophouden zich voortdurend te verontschuldigen!

Serendipiteit

De kunsten zijn wel een bedrijfstak, maar uiteindelijk, door hun specifieke behoeften, anders dan veel andere bedrijfstakken. Het beeld dringt zich op van de maatschappij als een eettafel, met de kunsten als het kind aan tafel dat zich anders gedraagt, anders reageert dan de andere kinderen. Dat kind heeft ook andere zorg nodig en, om de metafoor weer los te laten, het geld dat nodig is voor de kunsten dient daarom deels ook een ander doel. De kunstinstellingen zijn misschien wel dicht, maar het creatieve proces van veel makers is daar niet van afhankelijk. Daarin onderscheidt het bestaan van de kunstenaar zich ook van veel andere beroepen. Het staat in eerste instantie los van een publiek of een podium en komt voort uit de diep menselijke behoefte om verslag te doen van wat zich in de binnen- en buitenwereld van de kunstenaar afspeelt.

De jonge kunstenaar van ons bezoekt regelmatig een gepensioneerde wiskundige, die veel onderzoek deed naar toeval. Tijdens een van die bezoeken kwam ook het begrip seren­dipiteit ter sprake, de gave van iemand met

verstand van zaken om iets bijzonders te ontdekken, waarnaar men in eerste instantie niet op zoek was. Precies die gave ligt ten grondslag aan het maken van kunst. Voor het faciliteren van die creatieve zoektocht, die voorafgaat aan het contact met publiek op een podium, in een galerie of in een museum, is heel specifieke aandacht nodig. Waar voor de andere kinderen aan tafel een subsidie die het uitbetalen van salarissen mogelijk maakt misschien voldoet, is voor de kunsten de kous daarmee niet af. Rust, ruimte, tijd en vertrouwen liggen ten grondslag aan het maken van kunst. En daar is ook geld voor nodig.

Arnon Grunberg

Pas daarna zoekt de kunstenaar contact met haar of zijn publiek en pas dan wordt in deze crisis voor iedereen de pijn voelbaar van het ontbrekende contact tussen kunstenaar en publiek. Er ontbreekt namelijk iets wezenlijks, in al die mooie soloconcerten, in het digitale schilderij, in de livestream van een balletvoorstelling in een lege theaterzaal. De Duitse filosoof Walter Benjamin (1892–1940) schreef in 1936 over het reproduceren van kunst met behulp van moderne techniek: ‘Zelfs aan de meest volmaakte reproductie ontbreekt één ding: het hier en nu van het kunstwerk – zijn unieke bestaan op de plaats waar het zich bevindt… We kunnen wat hier verloren gaat samenvatten in het begrip aura, en zeggen: wat in het tijdperk van de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk wegkwijnt, is de aura ervan.’ Benjamin benadrukt daarmee ook het belang van de zintuiglijke ervaring en raakt aan de kern van wat er nu aan onze levens ontbreekt: onze zinnen worden maar ten dele geprikkeld.

Soms komt een kunstenaar nog een heel eind, bijvoorbeeld als de afwezigheid van publiek een extra dimensie toevoegt. Dat was op 4 mei het geval, in de terecht veelgeprezen rede van Arnon Grunberg in de lege Nieuwe Kerk. Een rede waarin hij niet alleen alle zinnen uitsprak, maar met inzet van al zijn stilistische en retorische talenten ook alle zinnen aansprak. Hier had een kunstenaar de ruimte gekregen om voor een uitzonderlijke gelegenheid iets monumentaals te creëren.

Maar het is de complexe wederzijdse afhankelijkheid van de private creativiteit van de kunstenaar en het nu ontbrekende contact met het echte publiek, die zich in deze tijd als een zwaar gemis voelbaar maakt. En die maakt dat wij niet kunnen wachten tot de musea, de theaters en de concertzalen hun deuren weer zullen openen.

Judith Schrijver, kunstenaar.
Emile Schrijver, algemeen directeur van het Joods Historisch Museum en het Joods Cultureel Kwartier.Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden