Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

‘Komen er hier echt geen bommen?’

PlusTheodor Holman

Theodor Holman

“Hoe heet het hondje?” vroeg het jongetje dat Alexander heette.

What is name of dog?” vroeg Olga aan Mieke, die net had uitgelegd hoe hun wasmachine werkte.

“Bob,” zei Mieke.

“Bob,” herhaalde het jongetje.

Bob tilde z’n kop even op en bleef naast het bed liggen.

Must Bob go away?” vroeg Mieke.

No, he love dogs,” zei Olga.

Mieke liet Olga en haar zoontje alleen.

“Gaat Bob weg?” vroeg Alexander.

“Nee, hij ligt nog naast het bed.”

Olga kleedde zich uit en ging naast haar zoontje liggen.

“Waar is Nicolai nu?” vroeg hij.

“Bij oma.”

Ze liet op haar telefoon een foto van hun hond zien die het in de sneeuw in een voorstad bij Kiev naar z’n zin had.

“Gaat hij mij vergeten, mamma?” vroeg Alexander.

“Nee, nooit. Honden hebben een goed geheugen.”

“Ik vind Nicolai liever dan Bob.”

“Je kent Bob nog niet zo goed. Jullie worden vast ook vriendjes.”

“Kan Nicolai ook door een raket geraakt worden?”

“Honden zijn slim.”

“En pappa?”

“Pappa is heel slim.” Omdat Olga een ander gesprek wilde, riep ze: “Bob, Bob!”

Bob kwam aan hun bed, kwispelstaartte, rook aan de hand die hem had geaaid en ging weer naar zijn slaapplekje.

“Als Bob mijn vriendje wordt, mag ik hem dan meenemen als wij weer teruggaan?” vroeg Alexander.

“Dat denk ik niet, schat.”

“Komen er hier echt geen bommen?”

“Nee, schat.”

“En bij oma?”

“Ik denk het niet.”

“En bij pappa?”

“Nee, ook niet.”

“En bij Nicolai?”

“Nicolai zit dus bij oma. Daar komen geen bommen.”

“En als daar wel bommen komen?”

“Nicolai is heel slim.”

“Is hij slimmer dan Bob?”

“Dat denk ik wel.”

“Spreekt Bob ook anders?”

“Alle honden verstaan alle mensen, schatje.”

“Hoe kan dat?”

“Dat weet ik niet. Wat zou je tegen Bob willen zeggen?”

Alexander dacht na en zei: “Dat Nicolai heel lief is. En heel slim.”

“Dat moet je dan maar eens aan Bob vertellen.”

“En dat Nicolai niet bang is voor bommen.”

“Dat klopt.”

“En dat Nicolai gewoon over straat loopt als er bommen zijn…”

“Ja…”

“En dat het mijn hond is.”

“Ja, dat moet je hem maar zeggen.”

“En dat hij altijd bij me komt als ik hem roep. En dat hij heel blij is als hij mij ziet.”

“Ja.”

“En dat hij nu bij oma is.”

“Ja.”

“En daar zijn geen bombardementen.”

“Gelukkig niet.”

Alexander keek ik nog even vanuit z’n bed naar Bob.

“Dag Bob. Nadobranich. Welterusten.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden