Column

Klaas Bruinsma wordt een zebra en Willem Endstra een uil

James Worthy Beeld Agata Nowicka

De nacht is op zijn onheilspellendst. Ik loop over het Max Euweplein. Alle schaakstukken zijn opgeborgen. Ik ben dronken. Te dronken voor thuis.

Heel soms ga ik zo ver dat ik eventjes geen recht meer heb op mijn eigen bed. Dan loop ik naar mijn ouderlijk huis en slaap ik daar op de zolderkamer. In die kamer staat een stoel die vroeger in onze huiskamer stond.

Als ik te dronken ben voor thuis, slaap ik in die stoel. Op zolder liggen geen dekentjes, dus dan gebruik ik een oude zomerjas van mijn zus als dekentje. Haar jas ruikt naar kermis en haarlak.

Ik loop over het kruispunt Stadhouderskade-Hobbemakade. Sinds ik het boek heb gelezen en de film heb gezien, kan ik alleen maar aan Tonio denken als ik hier loop. Ik las het boek toen mijn vrouw zwanger was van onze zoon. En niet veel later werd mijn angst geboren. De navelstreng was volledig van prikkeldraad.

Ik groet hem altijd als ik over het kruispunt loop. Dan steek ik een duim hoog de lucht in, maar nooit hoog ­genoeg. Wat hem is overkomen, had alle jongens die ik ken kunnen overkomen. Ook mij.

Ik ben zo vaak naar huis gelopen of gefietst na een feestje in Paradiso. Met een hoofd vol onontgonnen emoties. Misschien verliefd? Misschien gelukkig? Het enige wat zeker was, was dat alles misschien was. En op zulke momenten bepaalde alleen het hart nog wat de ogen zagen.

Het Museumplein is leeg. Een zwerfkat ruikt aan een prullenbak. Ik kijk naar het gras en de musea die het gras omringen. Het gras is maar gras. Het is geen kunst, en daarom ligt het hier.

Het gras op het Museumplein is het onzekerste gras van het land. De musea komen in hun pauze samen en lachen de grassprieten dan gezamenlijk vanaf een bankje uit.

Ik heb weinig tot niets met musea. Ze zijn vaak pas echt mooi als ze dicht zijn. Als er geen mensen in de buurt zijn en ze door dit gebrek aan mensen voor heel eventjes net zo onzeker zijn als het gras.

Mijn ouderlijk huis ligt in de buurt van het Hilton ­Hotel. In de nacht is de parkeerplaats van dit hotel mijn favoriete plek in de stad. Overdag is het een flat die niet zou misstaan in de meest troosteloze vierkante meters van Buitenveldert, maar in de nacht is het de plek waar je Herman Brood kunt zien spoken.

Als je heel goed kijkt, kun je zien hoe hij de gezichten van Klaas Bruinsma en Willem Endstra aan het beschilderen is. Klaas wordt een zebra en Willem een uil.

Op de zolder van mijn ouderlijk huis zijn alle lampen kapot. De spullen die er liggen, zitten toch niet op licht te wachten. In de hoek liggen mijn oude schaatsen. De trouwjurk van mijn moeder hangt over een ventilator heen die nog niet kapot is.

In de zomer vraagt mijn moeder weleens aan mijn vader of hij de ventilator van zolder wil halen, maar dat doet hij nooit. Om bij de zolder te komen, moet hij twee trappen op- en aflopen en daar krijgt niemand het koel van.

Ik ga in de stoel zitten. De kamer begint te draaien. Ik ga nooit meer drinken, fluister ik. Op mijn telefoon kijk ik naar een foto van mijn vrouw en mijn zoon. Ze zijn zo fucking mooi. Hun foto-ogen maken me onzeker. Nog onzekerder dan het gras op het Museumplein.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden