SPUI25-lezing

Katie Roiphe: ‘Het spijt me als ik de feministen teleurstel…’

Beeld Linda Llambias

Een sterke, succesvolle vrouw die zich met plezier aan haar man onderwerpt, is per definitie geen feminist. Of wel? Volgens Katie Roiphe is het vrouwelijk bestaan veel rommeliger dan het feminisme het doet voorkomen. 

Simone de Beauvoir schreef ooit aan Jean Paul Sartre: ‘Niets in mijn ­leven lijkt ertoe te doen, behalve mijn behoefte aan jou.’ Ze schreef: ‘Alles wat ik in het leven kan hebben zonder jou, dat heb ik – maar het is niets.’ ‘Zonder hem,’ schreef ze, ‘leef ik wel, maar ben ik verminkt.’

Ooit vroeg haar biograaf haar of haar romantische onderwerping aan Sartre in haar persoonlijk leven niet strijdig was met haar feministische theorieën. Ze antwoordde: “Nou, dat kan me geen donder schelen. Het is mijn leven en ik heb het geleefd zoals ik dat wilde. Het spijt me als ik de feministen teleurstel, maar je kunt ook zeggen dat het heel jammer is dat zo velen van hen zich alleen in de theorie ophouden in plaats van in het echte leven.”

Dit citaat riep allerlei nieuwe vragen bij mij op; het riep een verwarring op waarvan ik niet eens wist dat ik die voelde. Omdat ze zo openlijk, zo nonchalant, zo tegendraads het bestaan erkent van een veelvoorkomende tegenstrijdigheid waarover maar zelden wordt gesproken. 

Hoeveel vrouwen tonen zich niet sterk en krachtig in hun openbare bestaan en veel zwakker in hun privéleven, vooral in relatie tot mannen, of in hun liefdesleven? Hoeveel van ons stellen op die manier de feministen ‘teleur’?

De behoefte aan onderwerping

In mijn notitieboeken verdiep ik me in de ­levens van de meest ontzagwekkende en imponerende schrijvers die ik kan bedenken. Ik begin met de altijd als zeer fel bekendstaande en enorm succesvolle Amerikaanse schrijver Mary McCarthy, die door Time Magazine werd omschreven als misschien wel de scherpzinnigste vrouw van heel Amerika. Mary McCarthy, over wie de criticus Dwight MacDonald zei: “Normaal gesproken voel je je geweldig als er een mooi meisje naar je lacht. Maar als Mary naar je lacht, wil je vooral kijken of je gulp niet openstaat.”

In de zeven jaar dat ze getrouwd was met de criticus Edmund Wilson, beheerde hij al hun geld. Ze zei: “Ik moest hem om een kwartje vragen om te kunnen bellen.” Een vriend die in hun echtscheidingszaak werd gehoord, verklaarde dat Wilson ‘genoegen leek te scheppen in het uitfoeteren en terechtwijzen van zijn vrouw over dingen die er nauwelijks toe deden. Hij vernederde haar in het bijzijn van mijzelf en andere vrienden en kennissen door de manier waarop zij het huishouden bestierde belachelijk te maken.’

Mary McCarthy zelf schreef over een ‘wezensvreemde persoonlijkheid’ die zich in haar huwelijk manifesteerde: een zelf waarin zij zich niet herkende.

In een van haar brieven beschreef de dichter Sylvia Plath hoe zij verliefd werd op haar man, Ted Hughes: ‘Hij was simpelweg de enige man die ik ooit ben tegengekomen over wie ik nooit de baas zou kunnen spelen; hij zou me de hersens inslaan.’ Plath ziet dit als iets positiefs, een duidelijke verklaring voor de aantrekkingskracht die ze voelde.

Een van de meest zelfverzekerde intellectuelen van de twintigste eeuw, Susan Sontag, schreef in haar notitieboeken over een romantische verhouding: ‘Als ik maar schrijf komt er tenminste een einde aan het voortdurend naar haar staren en haar smeken om weer van me te houden… Het is zo pijnlijk om lief te hebben. Het is alsof je jezelf levend laat villen in het volle besef dat die ander er elk moment met je huid vandoor kan gaan.’

Hoe valt Sontags intellectuele bravoure, haar welhaast onmetelijk gevoel van eigenwaarde, haar verbijsterend sterke wil, te rijmen met de rol die ze speelde tegenover sommige van de mensen met wie ze een liefdesrelatie had?

En tegelijk is er ook de vreugde over krachtige emoties die ze overduidelijk opzoekt en waar ze naar smacht. Het gevoel van onderworpenheid in de liefde is ook iets dat ze voor zichzelf opeist. Wat is de aantrekkingskracht van je af en toe onderwerpen, de onbeschrijflijke ver­raderlijke behoefte daaraan?

Het is verleidelijk om te oordelen

De populaire romanschrijver Edith Wharton, een meester in haar vak, schrijft op het toppunt van haar roem, als ze ergens in de veertig is, aan haar ontrouwe en veel minder intellectueel ­begaafde minnaar Morton Fullerton: ‘Ik wil me helemaal in jou verliezen.’

Voelen sommige vrouwen zich aangetrokken tot een vorm van vrijwillige zelfverlaging, als iets wat ze zelfs romantiseren, hoewel ogenschijnlijk niets in ons uiterlijke bestaan in die richting wijst? Is er iets verleidelijks aan het opgeven van macht in bepaalde situaties?

Ik ben bij tijd en wijle behoorlijk geschokt als ik dit soort details over hun leven lees; vaak wil ik die details het liefste verdringen, ze weg­redeneren en deze schrijvers weer zuiver in het licht van hun geweldige creatieve prestaties zien, maar toch: dit is ook wie ze zijn.

Het is soms verleidelijk om te oordelen. Om zulke relaties onder de loep te nemen en ze af te doen als ongezond. Om ze te bekijken en te zeggen ‘dit is haar onwaardig’. Om boos te ­worden. Om er afstand van te nemen. Ik zou me Simone de Beauvoir vanzelfsprekend veel liever schrijvend achter een rommelig bureau voorstellen, haar aantekeningen bevlekt met koffiekringen, zonder ook maar één gedachte aan Sartre te wijden.

Ik zou me het liefst voorstellen dat het haar onverschillig liet dat hij soms wel drie of vijf weken bleef hangen bij een andere vrouw in plaats van dat ze hem smeekte en onderhandelde over meer tijd met hem; ik zou haar liever willen zien als de vrouw die niet een rondreis door Mexico, die ze met een andere man wilde ondernemen, met een aantal maanden inkortte omdat Sartre haar ineens liet weten dat hij haar in de buurt wilde hebben. Voor hem laat ze alles vallen, elke keer weer.

Aan de andere kant is dat wat ze zelf verkoos: liever hevig beroerd worden en voor lief nemen dat dat soms pijn doet, dan het comfort van een kabbelend bestaan.

De angst om een man kwijt te raken

Dit was haar keuze. Dit was wie ze was. Zoals ze ooit enigszins wrang opmerkte tegen haar biograaf: ‘Het gaat er in het echte leven soms rommelig aan toe.’

Het is maar al te gemakkelijk om te moraliseren, te oordelen, de psychoanalyse erop los te laten. Om de patriarchale structuren de schuld te geven, of één man, of alle mannen. Maar als we dat doen, dan missen we iets oprechts. Dan bagatelliseren we iets wezenlijks, keren we ons er moedwillig van af en sluiten we er onze ogen voor.

De romanschrijver Jean Rhys, een expert op het gebied van vrouwelijke zelfverlaging, ­beschreef de volgende scène in haar roman Goedemorgen, middernacht. De zwangere Sasha bevindt zich in een kamer in een sjofel hotel. De vader van het kind heeft haar verlaten met de mededeling: ‘Jij hebt geen idee hoe je de liefde moet bedrijven. Je bent te passief, je bent lui, je verveelt me. Ik heb er genoeg van. Gegroet.’ Drie dagen later komt hij onaangekondigd haar hotel­kamer weer binnengewandeld.

‘‘Ik heb dorst,’ zegt hij. ‘Schil een sinaasappel voor me.’ Nu is het moment om te zeggen: ‘doe het zelf’, nu is het moment om te zeggen: ‘loop naar de hel’, nu is het moment om te zeggen: ‘ik ben je voetveeg niet’. Maar het is te sterk – de kamer, de straat, dit iets in mij, o veel te sterk… Ik schil de sinaasappel, leg hem op een bord en geef het aan hem. Hij zegt: ‘Ik heb wat geld.’’

Waarom pelt ze die sinaasappel? Als ze zegt ‘dit iets in mij, o veel te sterk’, wat bedoelt ze dan? Ik word enthousiast als ik dit lees. Natuurlijk! Natuurlijk! Maar welk iets in zichzelf? Wat is dat iets? De angst om een man kwijt te raken. Haar onvermogen om zich een leven zonder hem voor te stellen. De economische kwetsbaarheid? Het verheffen van liefde tot lijden? Het verzengende gevoel van zelfopoffering, van een liefde die een ijzeren discipline vereist? De angst voor eenzaamheid, om achter te blijven in die hotelkamer, alleen met zichzelf?

Liefhebben vanuit haar kracht

Natuurlijk zijn er veel vrouwen die gezegd zouden hebben: schil die sinaasappel lekker zelf! Of in elk geval zouden de meesten van ons dat toch meestal wel zeggen. Maar sommigen van ons kennen ook die impuls, dat iets in onszelf. Sommigen van ons hebben die sinaasappel ook wel eens geschild.

In De tweede sekse stelde Simone de Beauvoir zich een ander soort liefde voor. Ze schreef over ‘de dag dat het voor een vrouw mogelijk wordt om lief te hebben vanuit haar kracht en niet vanuit haar zwakte, niet om aan zichzelf te ontsnappen, maar om zichzelf te vinden, niet uit berusting maar als bevestiging van zichzelf, dan zal liefde voor haar net als voor een man de bron van leven worden in plaats van iets levensbedreigends.’

Waarom voelt macht soms zo ongemakkelijk? Waarom lijken moderne, succesvolle vrouwen die macht soms van zich af te willen werpen, zich ervan te willen ontdoen, waarom willen ze doen alsof ze die niet bezitten of willen ze er een tijdje aan ontsnappen? Waarom raken doorgaans krachtige vrouwen die macht soms kwijt of kunnen ze er niet bij?

Sartre refereerde in zijn brieven aan De Beauvoir ooit aan haar ‘kleine, broze, spijkerharde zelf’. Die botsende bijvoeglijke naamwoorden – klein, broos en spijkerhard – vertellen samen een complex verhaal. Ze speelt vele rollen. Er huist zowel zwakheid als een ijzeren wil in haar.

De minachting voor sterke vrouwen

Ik heb al heel lang het gevoel dat het idee van sterke vrouwen ons wel aanspreekt, maar dat we eigenlijk niet zo gecharmeerd zijn van sterke vrouwen zelf.

De Engelse classicus Mary Beard schreef over vrouwen en macht: ‘Wellicht willen we oprecht dat ze er deel van gaan uitmaken, maar mogelijk zien we vrouwen, vaak op allerlei onbewuste manieren, toch als een soort indringers als ze daar ook daadwerkelijk in slagen.’ Hoe internaliseren we deze minachting voor sterke vrouwen? Hoe worden we beïnvloed door ons aangeboren gevoel van wedijver die macht oproept bij andere vrouwen? Projecteren we kwetsbaarheid of zwakheid om het wantrouwen jegens een sterke vrouw onschadelijk te maken?

Hillary Clinton, het toonbeeld van de geminachte machtige vrouw, speculeerde ooit over het haast existentiële ongemak dat mensen – zowel vrouwen als mannen – bij haar voelden. Wat de Amerikanen haar likeability problem noemden. ‘Sluit haar op,’ scandeerde de massa. Mensen droegen T-shirts met het opschrift ‘Clinton achter tralies’. 

Zelfs hoogopgeleide, ruimdenkende vrouwen gaven toe dat ze haar gewoon niet mochten. Clinton suggereerde dat mensen haar meer zouden mogen als ze op een tafel zou dansen, de hele boel bij elkaar zou vloeken of in tranen uit zou barsten. Ze wist precies wat er mis was met het publieke imago dat ze tentoonspreidde. Ze wist dat de mensen, als tegenwicht voor haar kracht en enorme competentie, wilden zien dat ze in elkaar zou storten, dat ze de controle zou verliezen. ‘Maar zo zit ik niet in elkaar,’ schreef ze.

En hoe zit dat dan met schrijvers? Het valt mij op dat veel sterke vrouwen allerlei kwetsbaarheden in scherpe en overtuigende essays vlechten. Zij larderen hun teksten met wat ik ben gaan noemen ‘ik ben soms ook een wrak’­-momenten, als bliksemafleider voor de competitieve energie en woede die een vrouw die met gezag schrijft bij anderen oproept. Je kunt gemakkelijk een lange traditie van schrijvers aanwijzen, van Virginia Woolf tot Zadie Smith, die hier in hun werk blijk van geven.

Joan Didion beschrijft een scène waarin ze zit te huilen bij de stomerij. Mary McCarthy schrijft dat ze te dronken wordt op feestjes en dan dingen zegt die ze niet meent. Zadie Smith schrijft over dronken op blote voeten door de stad lopen en je druk maken om hepatitis, en de conciërge die haar raar aankijkt omdat ze er niet uitziet – en dat als inleiding op een briljant en eigenzinnig essay over sterfelijkheid. Leslie Jamison beschrijft hoe ze een pot pindakaas uit de prullenbak vist en leeg likt en hoe ze bij mannen ligt te janken op de vloer van de badkamer.

Roxane Gay schrijft dat ze zo zenuwachtig is voor ze moet lesgeven, dat ze ervan moet braken. Deze schrijvers pareren de na-ijver die hun genialiteit oproept met zulke ‘ik ben soms ook een wrak’-momenten. Ik ben net als jij, fluisteren ze hun lezer sotto voce toe, ik ben niks bijzonders. Zie hier mijn tekortkomingen, mijn worstelingen, mijn alledaagsheid.

Het is een ritueel, dit etaleren van zwakheid, deze bezweringen dat zij net zo zijn als ieder ­ander (zoals zenuwachtig zijn om les te geven en daarom moeten braken). Het lijkt soms alsof je alleen autoriteit mag pakken als je die tege­lijkertijd ook weer handig en speels weet te re­lativeren.

Geen zin om zwakheid te tonen

Mijn studenten aan de universiteit plakken graag het predicaat ‘herkenbaar’ op de ­schrijvers van wie ze houden. Ze willen zich verbonden voelen met een schrijver, alsof die hen tijdens een kopje koffie allemaal dingen zou toevertrouwen. Ze houden van de intimiteit van het opbiechten, het uitwisselen van zwakheden. Ze geven absoluut de voorkeur aan zulke ‘herkenbare’ schrijvers boven iemand die heftig of imponerend of ontzagwekkend of knap en intelligent schrijft. 

Ik zie dat ze wel waardering kunnen hebben voor een tekst waarbij ze die herkenning niet voelen, maar ze zijn er niet weg van.

Uitgesproken visies, opinies en wereldbeelden worden soms beter ontvangen als ze op een benaderbare manier worden gebracht. De schrijver moet de boodschap ‘ik ben soms ook een wrak’ uitdragen om een anderszins arrogante of schurende stellingname te verzachten. Vooral als die schrijver een vrouw is.

Ik zou mijn studenten willen vragen: maar wat als de schrijver geen zin heeft om zwakheid te tonen? Wat als ze iets anders doet? Wat nou als het haar niet zo heel veel kan schelen of jij haar kunt zien als een vriendin die je in vertrouwen kunt nemen, omdat ze je wil confronteren met haar ideeën?

We beschrijven vrouwen die schrijven over pijn en kwetsbaarheid als dapper, maar dit soort bekentenissen is al zo vaak uitgewisseld, is al zozeer dagelijkse kost, zo diep en comfortabel ingebed in de taal van vrouwelijke ontboezemingen, zo welhaast de rigueur in de persoonlijke manier van schrijven die op dit moment opgang maakt, zo diep verweven in de manier waarop vrouwen met elkaar omgaan in het dagelijks leven dat dapperheid misschien niet eens het juiste woord is. In zekere zin is het misschien wel meer een vorm van capitulatie.

‘Wie denkt zij eigenlijk wel dat ze is?’

Natuurlijk wil ik ook weleens capituleren. Lang geleden gaf ik een vriendin een essay dat ik had geschreven over echtscheiding. Is het te kil? Te scherp? Te boos? Te bijtend? Waarop zij tactvol antwoordde: “Je zou misschien wat, eh, minder hard overkomen als je er iets in zou zetten zoals dat je vergeten was je dochter lunch mee te geven, of dat je te laat was om ontbijt te maken en je haar daarom maar een krentenbol gaf en toen een buggy vol vieze, plakkerige kruimels had.”

Ze probeert te zeggen dat ik aardiger zou overkomen als ik mezelf zou presenteren als iemand die ook maar wat aanmoddert, als ik mijn zwakheden meer zou laten zien en ik weet dat ze waarschijnlijk gelijk heeft. Dan klaart haar gezicht op. “Misschien kun je er een situatie in verwerken waarbij je moest huilen?”

We voeren eigenlijk allemaal elke dag wel een variatie op dit thema uit: zorgen dat je niet bedreigend overkomt, complimentjes afwimpelen, jezelf kleiner maken en anticiperen op de vraag ‘wie denkt zij eigenlijk wel dat ze is?’ de angel eruit halen voordat die zelfs maar vaste vorm in iemands hoofd heeft kunnen krijgen. 

Etaleren dat je ongeorganiseerd bent, dat je het allemaal niet in de hand hebt, is dusdanig gemeengoed in de interactie tussen vrouwen dat we ons er nauwelijks van bewust zijn. Er is altijd wel ergens een vrouw die, als een andere vrouw tegen haar zegt ‘Wat zie je er goed uit’, terugkomt met: ‘Hoe kom je daar nou bij? Ik slaap ­beroerd en heb gigantische wallen onder m’n ogen.’ Of een vrouw die zegt ‘Hoe krijg je toch altijd zo veel voor elkaar?’, waarop een andere vrouw dan antwoordt: ‘Nee joh, ik heb zo’n luie zomer gehad. Ik heb niks gedaan gekregen.’

We leren om ons niet bedreigend op te stellen, we willen liever aardig dan imponerend gevonden worden en zetten dus onze zwakheden in.

Maar waar komt dat allemaal vandaan? Waarom deze kwellende onderlinge competitie? Hebben we nog steeds het gevoel dat er niet ­genoeg is voor iedereen. Niet genoeg aandacht, niet genoeg geld, niet genoeg liefde, dat er niet genoeg te halen valt? Dat andere vrouwen, als zij de macht hebben, zich datgene zouden kunnen toe-eigenen wat van ons zou kunnen zijn? 

In 1928 schreef Virginia Woolf zeer fraai in Een kamer voor jezelf over dat gevoel van niet ­genoeg, van schaarste, over het karige avondmaal bestaande uit pruimen en droge crackers en soep in het vrouwencollege tegenover het overdadige, hartverwarmende diner in het mannencollege. Ze schetst het contrast tussen ‘de veiligheid en welstand van de ene sekse en de armoede en onzekerheid van de andere’.

Zelfverzekerd overkomen, maar niet té

Van kleins af aan leren meisjes dat ze bang moeten zijn voor de competitiedrang en de sluimerende woede en rancune die zich maar al te gemakkelijk tegen sterke vrouwen richt. Tegelijkertijd willen we graag krachtig zijn, hebben we behoefte aan macht. Het doel wordt zo om heimelijk macht naar je toe te trekken op een manier die deze woede en rancune weet te omzeilen; een beetje alsof je een draak probeert te voeren zonder brandwonden op te lopen.

Luister eens naar wat gesprekken bij meiden van een jaar of veertien, vijftien. Voor meisjes is de lijn echt flinterdun: je moet zelfverzekerd overkomen, maar ook weer niet te zelfverzekerd doen. Ik hoor meiden van die leeftijd ­zeggen ‘nou, ze vindt zichzelf heel wat’ over een meisje dat te zelfverzekerd is, zichzelf te geweldig vindt. ‘Ze is behoorlijk vol van zichzelf.’

Die schimpscheuten verhullen een diepe minachting die op uiteenlopende manieren naar voren komt. Ze leggen elkaar een taboe op. Soms kan het op die leeftijd voelen alsof de geheime dienst midden in de nacht aan je deur zal komen om je af te voeren als je in dit opzicht te veel opvalt. Als je jezelf heel wat vindt.

In The Lonely Crowd citeert David Riesman uit een interview met een meisje van twaalf:

A: ‘Ik vind Superman leuker dan de rest omdat zij niet alles kunnen wat Superman kan. Batman kan niet vliegen en dat is heel belangrijk.’

V: ‘Zou jij willen dat je kon vliegen?’

A: ‘Dat zou ik wel willen als iedereen het kon. Anders zou het te veel opvallen.’

De valkuilen van onze eigen verlangens

Het politieke verhaal is helder: vrouwen willen macht en worden daarbij tegengewerkt door mannen en het patriarchaat. Maar willen we dat wel echt? En kunnen we het elkaar gunnen? De inconsistenties, de tegenstrijdigheden, de strikken en valkuilen van onze eigen verlangens compliceren hoe we ons verhouden tot macht. Er gebeurt zo veel in de kloof die Simone de Beauvoir schetst tussen de theorie en het echte leven, op dat irrationele, onbeheersbare terrein.

Helemaal aan het eind van haar leven, nadat ze had ontdekt dat haar man een buitenechtelijke affaire had en haar huwelijk uit elkaar aan het vallen was, schreef Sylvia Plath de beste gedichten van haar leven. Het had iets wilds en creatiefs in haar losgeschud. Ze stond om vijf uur op, nog voor haar kindjes wakker werden. Ze at amper. ’s Avonds nam ze slaaptabletten. Ze stelde zich een kille grimmige almachtige vrouwelijke kracht voor: ‘Uit de as/verrijs ik met mijn rode haar/en de mannen eet ik gaar.’

Beeld Linda Llambias

Rond deze tijd schreef ze ook in een brief aan haar Amerikaanse psychiater: ‘Hoe kan ik zonder hem leven? Ik bedoel, als ik kon schrijven en tuinieren en gelukkig zijn met mijn kindjes, dan kon ik het overleven. Maar ik voel me zo ziek en slapeloos en onrustig, alles is zo’n puinhoop.’ 

Haar psychiater adviseerde: ‘Waak ervoor dat je niet je hele wezen ophangt aan die ene man.’ Plath deed haar uiterste best om dat idee tot zich door te laten dringen. Ze schreef haar psychiater: ‘Ik weet dat je gelijk hebt.’ Maar een paar weken later was ze dood.

Een van de problemen met de gepolijste politieke narratieven waar we vandaag de dag zo verzot op zijn, is dat wat Simone de Beauvoir ‘het echte leven’ noemt hardnekkig weigert zich ernaar te voegen. 

Voor de meesten van ons geldt dat onze meest waarachtige, meest fundamentele verhouding tot macht wordt gekenmerkt door tegenstrijdigheden: we mogen elke discussie met een man willen winnen, we willen soms ook overweldigd worden; we kunnen stevig in onze kracht staan, maar tegelijkertijd willen we het soms ook weleens kunnen opgeven. Hoe moeten we leven met zulke tegenstrijdigheden? Door er een tent in op te zetten. Er een hele wereld in te bouwen.

De nuances van het vrouwenlichaam

Toen Simone de Beauvoirs tour de force, De tweede sekse, in 1949 uitkwam, schreef de Amerikaanse criticus Elizabeth Hardwick in een ­ietwat kregelige en neerbuigende recensie dat het getuigde van een briljante warrigheid. 

Het is duidelijk dat ze dat niet als compliment bedoelde. Maar deze opmerking is me bijgebleven. Dit is wat De Beauvoir zo inspirerend maakt, in haar leven en in haar werk: ze weigert om met oplossingen te komen, om alles te laten kloppen. Verwarring is misschien wel de meest intellectueel eerlijke en zuivere respons op de nuances van het leven in een vrouwenlichaam.

Simone de Beauvoir’s ‘briljante warrigheid’ bestaat uit het erkennen van de tegenstrijdigheden en ermee leven, ze tolereren, ze toelaten, al die strijdige impulsen, de slopende veelvormigheid van de vrouwelijke ervaring.

Natuurlijk zou je, alles daargelaten, het liefst de feministen niet teleurstellen. Het is een geweldig gevoel om een politieke theorie waar te maken, om die op jezelf toe te passen en te zien dat je er deel van uitmaakt, dat je past in een groter verhaal, een bruisende gemeenschap van benadeelden, maar het voelt niet altijd even oprecht.

Het dekt niet altijd het scala aan ervaringen, de dingen die we ten diepste over onszelf weten.

Ik moet altijd denken aan die beroemde foto van Simone de B. die de cover van een Frans tijdschrift sierde, tot ergernis van de feministen, en die zelfs leidde tot straatprotesten. De foto was genomen door de fotograaf Art Shay. Ergens rond 1950. Ze bevond zich in Chicago met haar veel jongere minnaar, Nelson Algren. De Beauvoir vroeg Shay of ze ergens een bad­kamer kon gebruiken. Shay bracht haar naar het appartement van een vriend en zij liet de deur openstaan na het douchen. Shay had zijn Leica bij zich en maakte in een opwelling de foto. Naar zijn zeggen deed het haar niet zo veel dat ze de camera hoorde klikken. ‘Stoute jongen,’ zei ze, maar ze maakte er verder geen punt van. Ze had niet echt geposeerd voor de camera, maar ze hield Shay ook niet tegen.

Waarom is het zo’n indringend en destabiliserend beeld? Haar hoge hakken, haar naaktheid, haar ongekunstelde zelfvertrouwen, de deur die ze open liet, de blootstelling, de kracht, de tegenstrijdigheden. De grote denker, en gewoon een vrouw die haar haren opsteekt. 

De ­foto geeft een stemming weer: in wezen kan het haar geen bal schelen wie er naar haar kijkt of wat ze van haar denken. Ze ziet zichzelf als veelomvattend, veranderlijk, imperfect, met ruimte voor zwakheid én kracht. Haar aanwezigheid, haar verschijning op de foto ontstijgt de man met de camera, ze overschaduwt hem.

Burgerlijke ideeën omtrent fatsoen

In het deel van De tweede sekse dat gewijd is aan de onafhankelijke vrouw, schrijft ze: ‘Wil een vrouw haar vrouwelijkheid verwezenlijken, dan moet ze verworden tot een object, een prooi; dat wil zeggen, ze moet afzien van haar eisen als een soeverein subject. Dit is het inherente conflict dat de situatie van de geëmancipeerde vrouw bij uitstek kenmerkt. Ze weigerde zichzelf te beperken tot haar rol als vrouw omdat ze zichzelf niet wil verminken; maar het zou evengoed een verminking zijn om haar sekse te verwerpen.’

Natuurlijk is de wereld enorm veranderd sinds zij die woorden aan het eind van de jaren veertig ­neerschreef, en tegelijkertijd ook helemaal niet. Wie de hedendaagse positie van de vrouw in ogenschouw neemt, denkt al snel aan voorspellende woorden van de heksen uit Macbeth: ‘Als rumoer voorbij is. Als de oorlog is verloren en gewonnen.’

Nelson Algren maakte bezwaar tegen Simone de Beauvoirs roman De mandarijnen, die ook verhaalde over haar affaire met hem in die hete dagen in Chicago. “Deze vrouw schendt haar ­eigen privacy,” zei hij. Hij voegde daar nog aan toe dat men in de bordelen die hij had bezocht in het Verre Oosten tenminste nog het fatsoen had om de gordijnen dicht te trekken. De Beauvoir had geen interesse in gordijnen, of burgerlijke ideeën omtrent fatsoen, of het beschaafd vermijden van fundamentele conflicten, hoewel ze bepaalde dingen wel voor zichzelf hield.

Werkt ‘het patriarchaat’ wel?

We voelen ons aangetrokken tot klinkende politieke termen zoals ‘het patriarchaat’. Woorden die, om met George Orwell te spreken, ‘je gedachten voor je denken’. We houden van de stevigheid. Het gewicht. Maar perken ze ons niet ook in? Verschaffen ze ons wellicht te veel helderheid? Reduceren ze weerbarstige ervaringen tot alledaagse zekerheden?

Hier denk ik aan de romantische dichter John Keats. Hij definieerde negatieve bekwaamheid als de toestand waarin ‘een mens in staat is te midden van onzekerheden, raadsels, twijfels te verkeren zonder zich geërgerd vast te klampen aan feiten en redeneringen.’ Ik vind dat lastig. Ik klamp me vrijwel altijd geërgerd vast aan feiten dan wel redeneringen. Maar misschien kunnen we nu wel wat van die negatieve ­bekwaamheid gebruiken. Leven te midden van raadsels, twijfels. Daarin verkeren. En ze dulden.

Dat is waar ik aan heb gewerkt. Aan het erkennen van verwarring, het gedogen van tegenstrijdigheid, en het zonder schaamte ervaren daarvan, aan het openzetten van de deur van de badkamer, aan het schenden van je eigen privacy en daarbij met Simone de Beauvoir te zeggen: “Het spijt me als ik de feministen teleurstel…”

Vertaling: Het Vertaalcollectief 

Katie Roiphe

Dit is de integrale vertaling van de ­lezing Disappointing the feminists die Katie Roiphe (1968) gisteravond hield in de Aula van de Universiteit van ­Amsterdam, als opening van het ­academisch jaar van Spui25. 

Roiphe, directeur van de vakgroep Cultural Reporting and Criticism aan New York University, promoveerde aan Princeton in de literatuurwetenschap. Zij schreef onder andere The Morning After: Sex, Fear, and Feminism on Campus, de essaybundel In Praise of Messy Lives en een roman, Still She Haunts Me

Haar werk verscheen in The New York Times, The Washington Post, The New Yorker, The Paris ­Review, The Wall Street Journal, ­Harper’s, Vogue en Esquire.

Roiphe wordt wel een ‘anti-feministische feminist’ genoemd. Ze trad met haar lezing in de voetsporen van onder meer Philippe Claudel, David van Reybrouck en Karen Armstrong. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden