Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Julius Vischjager stelde altijd de laatste vraag

PlusTheodor Holman

Arme Julius Vischjager, die dinsdag dood werd gevonden in het water van de Oranje-Vrijstaatkade. Hij was 83 jaar oud.

Vischjager – journalist, pianist – maakte op een eigenaardige manier zijn tegenstrijdige journalistieke dromen waar.

De Tweede Wereldoorlog had hem verwond. Hoe en in welke mate, weet ik niet. Hoewel ik enkele gesprekken met hem heb getracht te voeren, lukte het me nooit hem volkomen te begrijpen.

“Ha Julius, hoe gaat het?”

“Ik heb misschien een primeur voor je. Hij heeft het gezegd… ja, nadat ik het gevraagd heb.”

“Wie heeft wat gezegd?”

“Ik stelde de laatste vraag, en ik heb ook nog een foto gemaakt. Maar wil je misschien m’n krantje?”

Het was alsof zijn gedachten en zinnen elkaar nooit tegenkwamen. Soms deed ik echt mijn best hem te begrijpen, maar dan was er uiteindelijk niets van enige importantie, en dat was voor hem en mij dan pijnlijk om te constateren.

Ik kwam regelmatig bij de Openbare Bibliotheek in Amsterdam en dan hoorde ik hem pianospelen. Scarlatti. Dat deed hij mooi. Het klinkt misschien onaardig, maar dat verwonderde me. Hoe kon zo’n merkwaardige geest, zo’n sociaal gestoorde persoonlijkheid, zo prachtig spelen? Muziek gaf zijn geest waarschijnlijk de ordening die hij niet toonde als hij met je sprak.

Waarom wilde hij journalist zijn? En dan zelfs zo’n stereotiepe journalist met een regenjas, een tas en een duur fototoestel om zijn nek. Ik denk dat voor Julius de verslaggever iemand was die als eerste iets onthulde, die ‘wist,’ die kennis had die anderen nog niet hadden, die onderzocht en vooral: die kon waarschuwen en oordelen. Hij had altijd zogenaamd ‘een primeur’. Hij schreef die met de hand op, in een onleesbaar handschrift en ging vervolgens naar een plek waar hij zijn krantje kon kopiëren.

Ik vroeg hem eens waarom zijn krantje The Daily Invisible heette – niet eens zo’n slechte naam. Uit de wirwar van zinnen begreep ik dat zijn krant nieuws bracht dat onzichtbaar was voor andere kranten. De andere kranten wilden dat nieuws niet opnemen. Waarom niet? “Omdat het mijn nieuws is,” zei hij. Misschien had hij wel een mild paranoïde wereldbeeld – wat trouwens elke journalist moet hebben – en kwam zijn merkwaardige journalistieke spel voort uit zijn angst, die hij als oorlogsslachtoffer vermoedelijk had. Hij speelde wat hij moest zijn om zichzelf te beschermen.

Julius is nu echt onzichtbaar geworden.

De laatste vraag stelde hij aan zichzelf.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden