PlusKerstverhaal

Johan Goossens vierde een eenzame kerst in Ghana, met Malaria

In een Ghanees hotel beleefde Johan Goossens zijn eenzaamste kerst ooit. Op kerstavond 2001 begon hij aan een provisorische afscheidsbrief.

Beeld Tzenko Stoyanov

Mijn rampzaligste kerst ooit was in Ghana in 2001. Ik lag in mijn eentje op een bed van oude meelzakken en aan het plafond hing een ventilator die enkel in de maximale stand kon en me zo ongeveer wegblies. Ik lag op de bovenste verdieping van een verder uitgestorven hotel en o ja, ik had malaria.

Malaria was mijn grootste angst toen ik op mijn achttiende naar Afrika vertrok om vrijwilligerswerk te doen. Eenmaal in mijn dorpje trok ik elke avond zodra het donker werd een lange broek aan en smeerde mijn hele gezicht vol DEET tot de verf van mijn bril ervan losliet.

De mensen uit mijn dorp moesten er hard om lachen; die gekke blanke met zijn panische gedoe. Ghanezen nemen malaria een stuk minder serieus dan bijvoorbeeld de vrouw van GGD Tilburg die had verteld dat er jaarlijks meer dan een miljoen Afrikanen aan stierven.

God heals, we care
"Nobody dies from malaria," zei mijn Ghanese gastmoeder Sussie
altijd. "Maar waar is je oom aan doodgegaan?" vroeg ik dan.

"Geen idee, hij had koorts en toen ging hij dood." Ze haalde haar schouders op en fluisterde: "Waarschijnlijk djoedjoe..." Voodoo. Altijd hetzelfde liedje. Niemand stierf aan malaria, niemand aan aids, zelfs als er een bus van de weg reed, lag dat niet aan slechte remmen of roekeloze stuurkunst, maar aan een vloek die een van de passagiers met zich meedroeg.

Werkelijk alles werd toegeschreven aan iets bovennatuurlijks. Zelfs chauffeurs van overheidsbussen stonden vlak voor een lange rit altijd op om luidkeels te bidden: "God, het ligt in Uw handen of we veilig aankomen!" Om hierna de motor te starten en als een idioot door het verkeer te scheuren.

Het had ook een mooie kant natuurlijk, het gracieus ondergaan van je lot. Maar nu ik koorts had, duizelig was en hulp nodig had, werkte het vooral op mijn zenuwen. Zelfs de arts in het ziekenhuis had op zijn bureau een lijstje staan met de spreuk 'God heals, we care...' wat ik toch vooral opvatte als een motie van wantrouwen tegen zijn eigen scholing.
"Je hebt malaria," zei hij.

Ik had er het een en ander over gelezen en vroeg zwetend: "Welke vorm heb ik? De dodelijke? Of de niet-dodelijke?"

"Dat weet ik niet," zei hij droog. "Geen idee. Maar hier zijn medicijnen, probeer ze maar. Als ze niet werken, kom je over vijf dagen terug."

Hongerbuik
Vijf dagen met een potentieel dodelijke ziekte, dat leek me best lang. Ik meldde me bij mijn gastmoeder Sussie, die twee kamertjes huurde bij de markt in Mankessim. Ze haalde net de doos met kerstspullen onder het bed vandaan toen ik zei dat ik binnenkwam.

"Ik heb malaria," zei ik dramatisch. "Wat vervelend," zei ze "Kun je even helpen?" Drie minuten later stond ik met mijn koortsige hoofd op haar bank met een felgroen kerstlint en een punaise in mijn handen.

Voor zelfmedelijden hoef je bij Ghanezen niet aan te komen. In mijn dorp was het leven hard en als een van de kinderen een voetbal tegen zijn hoofd kreeg of moest huilen van de honger, begonnen de andere kinderen smakelijk te lachen en naar de bult of de hongerbuik te wijzen.

En hoewel Auntie Sussie heus wel probeerde een beetje mee te gaan in mijn malaria-opera, helemaal overtuigend werd het niet. Ze zorgde voor me, ze bracht thee en ik mocht in het grote bed slapen, maar ondertussen zei ze: "Je bent gewoon moe.. Je hebt te hard gewerkt. En het medicijn werkt, kijk maar! Je zweet heel hard!"

'Don't worry'
Vijf dagen later en flink wat kilo's lichter ging ik terug naar het ziekenhuis, waar de arts verbaasd was me te zien. "Heeft het niet gewerkt?" vroeg hij. "Maar het zijn heel goede medicijnen!"

Ik wist niet wat ik hierop moest zeggen en keek naar het bordje 'God heals, we care', terwijl de dokter nadacht over een nieuw medicijn.

"Zullen we anders Halfan proberen?" vroeg hij luchtig, alsof we konden kiezen tussen verschillende smaken in een ijssalon.

"Maar," vroeg ik, "daar zijn toch mensen aan overleden?"

"Ach," zei hij gemoedelijk, "dat was een tijdje geleden en dat waren oude mensen... En je hebt toch niets aan je hart?"

Ik vertelde dat ik had gelezen dat je eerst een hartfilmpje moest laten maken om te kijken of je hart dit medicijn wel aankon.

"Dat kunnen we hier niet," zei hij. "Maar je bent nog jong, je ziet er goed uit. Don't worry."

Nu was ik pas echt op mijn hoede. Als een Ghanees 'don't worry' zegt, is er waarschijnlijk echt iets aan de hand. Ik vroeg of hij misschien ook een medicijn had waaraan ik niet kon doodgaan.

Eenzame kerst
En zo schreef hij me een paar pillen voor die ik in een keer moest innemen om daarna twee dagen te wachten of het aansloeg.

"Twee dagen.." rekende ik uit, "dus dan moet ik tweede kerstdag terugkomen?"

"Sorry!" zei hij geschrokken. "Drie dagen! Je moet het drie dagen proberen en daarna kom je terug. Na de kerst!"

En zo begon mijn meest eenzame kerst ooit. Tante Sussie was mijn aanwezigheid ook wel beu en bovendien had ze haar bed weer nodig, want haar vriend kwam langs voor de feestdagen: "Hij wil met me zijn, begrijp je?"

En zo nam ik een taxi naar een hotel verderop in de straat, want tegen die tijd kon ik amper nog lopen. Mijn lichaam voelde als een slagveld, waarop de medicijnen vochten tegen de malaria. Terwijl het virus door mijn bloed danste en de slapheid tot diep in mijn botten zonk, kon ik enkel afwachten wie er ging winnen.

De avonden waren het engst, omdat de koorts dan omhoogschoot
tegelijk met het vallen van de nacht en het aanzwellen van de krekels. Ik was inmiddels allang niet meer overtuigd van de goede afloop en begon op kerstavond een provisorische afscheidsbrief op te krabbelen, toen er op de deur werd geklopt.

Dominee
Het was Sussie. "Ik heb iemand meegenomen..." zei ze, en even had
ik hoop. Misschien had ze een Nederlandse vrijwilliger uit de buurt opgetrommeld. Hoe graag zou ik even een blanke zien! Even Nederlands spreken, even met iemand kletsen die de ernst van de situatie inzag,
die snapte hoe bang ik was.

Maar Sussie deed de deur verder open en daar kwam de dominee. "Ga maar op de rand van je bed zitten," zei hij met zijn krakende basstem. "Dan zal Jezus je genezen."

Dit weigerde ik resoluut.

"Maar je bent ziek," zei Sussie voor het eerst ernstig. "Je bent heel erg ziek..."

Ik zuchtte. Ik had deze man duiveluitdrijvingen zien doen. Hij had een 'hallelujah' waarvan de rillingen over je rug liepen.

"Ik zal mezelf wel genezen!" riep ik wanhopig en voelde me beroerder dan ooit.

Aan dat moment moet ik rond de kerst nog weleens denken. Als ik tijdens de meloen met ham zit te luisteren naar een saai verhaal over wintersport. Als ik onvrijwillig deelneem aan een dialoog over autoverzekeringen boven een bord met droge kip.

Dan denk ik aan die vreselijke kerstavond. Aan dat bed van oude meelzakken. Aan mijn blijdschap ook, toen ik op kerstochtend tot mijn eigen stomme verbazing wakker werd. En aan het gevoel dat ik eigenlijk al jarenlang leef in blessuretijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden