Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

‘Jij moet getroost worden’ zeg ik streng

PlusTheodor Holman

‘Hoe is het nu?”

“Ach… ik heb me in slaap gehuild maar goed geslapen. Ik was ook kapot.”

“Het was mooi en ontroerend. Hij zou trots op je zijn geweest.”

“Dank je… O, er wordt gebeld. Hé, wie kan dat zijn? Ik verwacht niemand. Blijf je aan de lijn?”

“Ik kan straks terugbellen.”

Ze legt haar mobiele telefoon neer, in plaats van hem mee te nemen, maar zet hem niet uit. Ik weet niet of het onhandigheid, verwardheid of beleefdheid is.

Ik hoor gepraat, maar kan het net niet verstaan. Die personen bewegen zich wel door de kamer. Dan opeens kan ik woorden onderscheiden.

“Geeft niet, Simon… Geeft niet… Geeft echt niet… Heel mooi… Ik zet ze zo in het water… Geeft niet… Kopje koffie?”

Dat ik aan de telefoon ben, wordt vergeten, en ook dat ‘geeft niet’. Dus ik verbreek de verbinding.

Een half uur later – ik gok dat het kopje koffie wel op zal zijn – bel ik weer en stel me melig voor als ‘hier is de afdeling nazorg weer’.

“O, wat vriendelijk van u dat u belt.”

“Nee, ik ben het, Theodor… Sorry… We waren aan het bellen en toen kreeg je bezoek.”

Ze lacht en fluistert iets.

“Wat zeg je?”

“Wacht, ik loop even naar de keuken.”

Daar hoor ik: “Hij zit er nog steeds!”

“Wie?”

“Frits… Hij gaat maar niet weg. Hij was gisteren in slaap gevallen en had daardoor de crematie gemist. Hij schaamt zich, en nu praat en praat hij maar.”

“Je moet gewoon zeggen: ik ben heel blij dat ik je nog even heb gezien, maar ik heb nog veel te doen, Frits.”

“Dat kan ik niet zeggen. Hij heeft drie maanden geleden zijn vrouw verloren en hij zit nu te snikken. Ik kan hem niet weg­sturen.”

“Jij moet getroost worden!” zeg ik streng.

“Ja… maar hij is ook oud. En weet je…”

Opeens roept ze, gelukkig niet in de telefoon en in een andere toon: “In de gang rechts, Frits. Er staat een poesje op de deur. Dat is de wc... Die deur met het poesje erop! Poesje… Poesje!”

Dan, tegen mij: “Hij is ook doof.”

“Hij zal het begrijpen als je hem wegstuurt.”

Ze talmt voordat ze mij antwoordt.

“Ach, ja… Maar hij is eenzaam. Hij bedoelt het goed. Ik heb eigenlijk nog niet in een leeg huis gezeten. Nu ben ik een oor, straks hij.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden