null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Ineens namen de vier kistdragers bij de haringkraam hun hoed af

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Er stonden vier mannen met hoge hoeden op hun hoofd bij de haringkraam.

Kistdragers, aan de rest van de zwartgrijze kleding te zien. Ze hadden allemaal een broodje haring in hun hand, maar er was nog geen hap van genomen.

Uit niets was op te maken of ze net van de nabijgelegen begraafplaats kwamen, of dat ze nog naar hun werk moesten. Een lijkwagen was nergens te zien.

Het was licht onstuimig weer, en af en toe rukte de wind aan de vlaggen van de kraam. Dan hielden de mannen met een hand hun hoed vast. Alle vier met rechterhand.

Van het kwartet had er een opvallend rode wangen. De rest van het gezicht zag er normaal uit, als de kleur van de handen. Maar die dieprode wangen. Appelwangen. Zoals de wangen van de kabouters van Rien Poortvliet. Alleen was dit een nogal grote man. Hij had de broodjes afgerekend.

Een drager wilde een hap van het witte kadetje nemen, maar dat was blijkbaar niet de bedoeling, want hij werd tegengehouden door een ander, die vervolgens in de richting van de man met de appelwangen knikte.

Appelwangen keek op zijn horloge, speurde om zich heen, alsof hij nog iemand verwachtte. Even trok er ergernis over zijn gezicht, daarna keek hij een tel naar het broodje haring in zijn hand. Je zag de speekseltoevoer in zijn mond op gang komen. Hij gebaarde naar de anderen, ze gingen dicht bij elkaar staan, en hij nam het woord.

Misschien was het de nabespreking. Werden hier harde woorden gesproken over uit de pas lopen. Een van de mannen schudde resoluut met zijn hoofd, en wees naar een andere drager. Die stak zijn duim op.

Of het ging om een voorbespreking. De te volgen tactiek. Kleinere passen dan de vorige keer. Let op de kuilen in de paden. En geen grimassen maken!

Na een tijdje namen ze alle vier de hoed van het hoofd. Appelwangen wilde zijn hoed naast zijn voeten op het trottoir zetten, maar er kwam net een stuk krant voorbij gewaaid. Hij keek ernaar alsof hij daar zijn hoed als een curlingsteen over straat zag schuiven.

Hij richtte zich weer op.

Nu stonden er vier mannen met ontbloot hoofd voor de kraam met in een hand een hoed en in de andere hand een broodje haring.

Bij de kleinste van het stel woei bij een paar windstoten het zorgvuldig over de kale schedel gekamde haar meteen in slierten om het hoofd. Hij liet het gebeuren. De anderen lachten.

Dat was schijnbaar een teken, want Appelwangen zette zijn hoed weer op en nam een hap van zijn broodje. De anderen volgden gretig.

Zo stonden de kistdragers op een rijtje hun broodje haring te eten.

Een van de mannen morste een plakje augurk.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden