Nico Dijkshoorn.Beeld Artur Krynicki

In Staphorst mogen ze van mij met 600 man over polio zingen

PlusNico Dijkshoorn

Een van de grote voordelen van corona vind ik dat er minder wordt gezongen in grote groepen. Ik ben daar nooit een groot voorstander van geweest. Als tijdens concerten de zanger vraagt of all the fellows in the room ‘Oieeeeooooo’ willen zingen dan sta ik bij de uitgang.

Corona of niet, ik vind dat er voortaan tijdens concerten helemaal niets meer aan het publiek moet worden gevraagd. Dus als de zanger van de nieuwe britpopsensatie Swervedriver In A Forest wil dat we allemaal Hell Yeah schreeuwen, die gast meteen op zijn rug gooien, dwangbuis om, op de boot naar Harwich zetten en dan wil ik op de kade nog wel een keer Hell Yeah fluisteren.

In Staphorst mogen ze van mij desnoods zes keer per dag met 600 man over polio zingen. Ik zie Staphorst als een zichzelf regulerende gesloten biocultuur in een fles. Je zag die flessen de laatste jaren opeens verschijnen in gekke hebbedingwinkeltjes in de Haarlemmerstraat te Amsterdam.

Je kunt er opgezette woestijnvosjes kopen, een horloge dat negen jaar lang om de dode pols zat van een man die in 2019 werd gevonden met een Parool uit 1974 in zijn hand en ze hebben er de weckflessen waar ik het over heb. Je doet een plant in de fles, je drukt er een kurk op en je hebt er geen omkijken meer naar. Zo gaat dat in Staphorst ook. Uit de dood ontstaat daar steeds precies hetzelfde zingende organisme.

Ik ben ook niet heel erg dol op zingende voetbalsupporters. Wanneer de F-side vanuit de metro zingend naar het stadion loopt klinkt dat nooit als The Staple Singers, maar eerder als een gedrogeerd leger uit Mordor.

Ik heb eigenlijk maar één keer met een zeker genoegen gezongen, samen met een hele zaal vol met mensen. Het was in New York, om precies te zijn in de Brooklyn Bowl. Die zag er precies zo uit als je hem uitspreekt: een bowlingbaan met een concertzaal ernaast.

Tanja en ik gingen naar de Drive-By Truckers. Vlak voor het concert zou beginnen luisterden we naar een mededeling. Als eerbetoon aan de die week overleden saxofonist van Bruce Springsteen, Clarence Clemons, zouden een uur lang zijn beroemdste saxofoonsolo’s worden gedraaid.

Vanaf de eerste noot werd elke solo door de hele zaal meegezongen. Ik heb daar 400 mensen de eindeloos lange saxofoonsolo uit Jungleland mee horen loeien. Op dat moment twijfelde ik nog, maar nu, midden in deze helse tijd, denk ik er ontroerd aan terug. We leefden allemaal zo ontzettend.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in.

Reageren? n.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden