Plus Brill en Pam

In Peking lijkt men het inmiddels wel genoeg te vinden

Eén kwestie, twee visies: de Amsterdamse blik en een mondiale kijk op de actualiteit. Deze week: Hongkong.

Max Pam en Paul Brill. Beeld Artur Krynicki

Pam

Het is een dikke tien jaar geleden dat ik na een reis door China terugvloog via Hongkong. Een prachtige stad met een aan­genaam klimaat. Hongkong betekent niet voor niets ­‘geurige haven’. Ik kwam aan op Chinees Nieuwjaar en staande voor het raam van mijn hotel­kamer was ik getuige van het meest spectaculaire vuurwerk dat ik ooit heb gezien.

Hongkong is een samenstel van eilanden. Elke dag voer ik tussen de honderden boten en bootjes naar de overkant, waar de moderne stad overgaat in het oude centrum. Zo op het oog lijkt Hongkong zeer rijk, maar volgens een recent artikel in The New York Times wordt in het oude deel van de stad grote armoede geleden.

Op de kade van Victoria Harbour staat het bronzen standbeeld, tweeënhalve meter hoog, van filmster en kong fu fighter Bruce Lee (1940-1973). Dankzij de biografie van Matthew Polly weten wij sinds kort dat bij Lee Jun-fan, zoals Bruce Lee eigenlijk heette, zowel Joods als Hollands bloed door de aderen heeft gestroomd. Een van zijn voorvaderen was de Rotterdamse handelsman Hartog Mozes Bosman (1820-1849), die namens de VOC-consul in Hongkong is geweest. Een ingewikkeld familieverhaal met heel wat Chinese concubines heeft ertoe geleid dat Bruce in San Francisco werd geboren en in Hongkong uitgroeide tot een held.

Het standbeeld van Bruce Lee symboliseert waar de stad voor staat: westers en oosters, arm en rijk, autoritair en democratisch, lokaal en internationaal. Toen de Britten in 1997 het bestuur in handen gaven van de Volksrepubliek China, heeft lang het idee geleefd dat China niet Hongkong zou overheersen, maar dat Hongkong heel China aan het overnemen was. Zonder Hongkong was de enorme welvaartsstijging op het Chinese vasteland niet mogelijk geweest.

In Peking lijkt men het zo langzamerhand wel genoeg te vinden. Alles wijst erop dat men de dagelijkse demonstraties hardhandig wil neerslaan om een bewind van de communistische partij in te stellen. Op de Facebookpagina van China­kenner en Pulitzerprijswinnaar Ian Johnson staat een onthutsende foto waarop duidelijk te zien is dat de politie van Hongkong overlegt met de gehelmde mannen in witte hemden die onlangs demonstranten in elkaar hebben geslagen. Of die lui inderdaad van de lokale maffia komen is lang niet zeker, want mogelijk zijn zij door ­Peking gestuurd, zoals de groene mannetjes van Poetin die ineens de Krim kwamen bezetten.

In Nederland wordt getwijfeld of het Chinese bedrijf Huawei wel een 5G-netwerk mag aanleggen. Mij lijkt dat zeker niet slim. Hongkong lijkt meer gebaat bij een nieuwe Bruce Lee met een ouderwetse VOC-mentaliteit.

Max Pam

Bril

Nadat China in 1949 definitief een communistische staat was geworden, ontbrandde in de Verenigde Staten een grimmige discussie over de vraag: Who lost China? Republikeinse ­haviken onder leiding van de militante senator Joseph McCarthy beschuldigden de regering van de Democratische president Harry Truman ervan dat ze de ogen had gesloten voor de communistische opmars in China en de nationalistische leider Chiang Kai-shek onvoldoende steun had verleend.

Bestond er in het hedendaagse China vrijheid van meningsuiting, dan zou er nu ongetwijfeld een soortgelijke discussie losbarsten met als inzet: Who lost Hong Kong? Iets wat natuurlijk niet letterlijk moet worden genomen: sinds Groot-Brittannië in 1997 afstand heeft gedaan van zijn kroonkolonie, is Hongkong deel van het Chinese grondgebied, en dat zal niet veranderen.

In overdrachtelijke zin doet de vraag wel degelijk ter zake. Want door zijn plaatselijke mandarijnen geen ruimte te geven voor een royale handreiking aan de massale protestbeweging om de gemoederen tot bedaren te brengen, heeft het Chinese bewind een breuk vanjewelste tussen Peking en Hongkong doen ontstaan. Dit wordt buigen of barsten.

‘Eén staat, twee systemen’, luidt het officiële motto voor de 50 jaar durende overgangsperiode vanaf 1997. Maar het China van Xi Jinping mist ten ene male de politieke flexibiliteit om aan de rand van de staat een systeem te dulden dat zich onttrekt aan het machtsmonopolie van de communistische partij. De reden voor die starheid: de vrije burgers van Hongkong zouden de onderdanen van het onvrije China wel eens op ‘verkeerde’ gedachten kunnen brengen.

Evenals Max Pam heb ik pregnante herinneringen aan mijn bezoek aan Hongkong. Onder meer aan een lunch met een Britse kennis die doceerde aan de universiteit. Hij en zijn Chinees-Maleisische vrouw hadden een trendy etablissement uitgekozen. Het bleek een gigantisch restaurant met minstens 200 tafels, dat veel weg had van een onoverzichtelijk slagveld. Obers en serveersters renden schijnbaar doelloos heen en weer. Het leek ondenkbaar dat we binnen afzienbare tijd iets konden bestellen en opgediend zouden krijgen.

Er was kennelijk een onzichtbare hand aan het werk. Alles klopte. De bestelde gerechten werden pront geserveerd. Een nabestelling was geen probleem. Overal werd met smaak gegeten.

Ik ervoer het als een metafoor voor de on­gepolijste eigenzinnigheid die zich in Hongkong heeft genesteld. En ik begrijp daardoor beter dat de protestbeweging geen opwelling is, maar de ware spirit vormt van een stad die te lang van de vrijheid heeft geproefd om zich een keurslijf te laten aanmeten.

Paul Brill

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden