Teaser Wit Beeld Agata Nowicka

In openbare vervoering

Plus James Worthy

Ik ben een buschauffeur. Het is maandagochtend. Ik rijd mijn vaste route. Mijn vrouw heeft krentenbollen voor me gesmeerd. Het zijn er vier. Ze liggen in een boterhamzakje naast het stuur. Laatst zei ik tegen haar dat ze geen boterhamzakjes meer moet gebruiken, omdat die dingen slecht voor het milieu zijn, maar ze luistert niet naar me. Ik vind mijn vrouw het leukst als ze niet naar me luistert. Op de momenten dat ze gewoon zichzelf is en maling heeft aan het feit dat we al dertig jaar samen zijn.

Het is rustig in mijn bus. Ik rijd door de Spaarndammerbuurt. Achterin zit een meisje met een rode kop­telefoon op haar hoofd. Ik heb ook zo’n koptelefoon. Als ik bang ben dat mijn schedel uit elkaar valt, zet ik hem op. Dat ding houdt alles bij elkaar.

Voor in de bus zit een man met een kattenreismand op zijn schoot. Een lapjeskat duwt zijn of haar neus door de stalen traliedeur.

In het midden van de bus zit niemand. Vanochtend willen de mensen alleen heel dichtbij of zo ver mogelijk van me af zitten.

De man met het mandje op zijn schoot haalt een ham-kaascroissant uit een zakje en scheurt het broodje open. Hij trekt de plak ham van het brood, rolt hem op en steekt hem door de tralies.

Ik sla linksaf en zie hem al op de halte staan. Eigenlijk wil ik doorrijden, maar dan krijg ik ruzie met mijn baas. Ik heb al een paar waarschuwingen gehad.

De man stapt in en vrijwel direct kan ik zijn goddelijke eau de cologne ruiken. Hij ruikt naar het sekszweet van een eenhoorn. Hij lacht lief naar me. Ik probeer terug te lachen, maar mijn mondhoeken staken.

Ik rijd al twintig jaar in bussen door Amsterdam en ik vind het heerlijk, maar als er een piloot instapt, word ik verdrietig. Ook vanochtend weer. Kijk hem nou. In zijn prachtige uniform. En kijk nu naar mij. Ik bestuur maar een bus. Hij vliegt over oceanen en bergpartijen. Binnen een paar uur zit hij in Afrika. En ik? Verder dan Landsmeer komt mijn bus niet.

Er rijdt een andere bus langs. Ik zwaai naar de chauffeur. Ik ken hem. Het is Hans. Mijn vrouw en zijn vrouw zijn vriendinnen van elkaar, maar Hans en ik zijn geen vrienden. Ik vraag aan de piloot of piloten ook naar elkaar zwaaien als ze langs elkaar vliegen.

“Nee, ik heb nog nooit naar een collega gezwaaid. Treurig, hè? Ik zou wel een keer een dagje met jou willen ruilen.”

“Echt waar? Met mij?”

“Ja, ik zie de wereld alleen maar vanuit de lucht. Alles is zo klein. Jij ziet alles precies zoals het is.”

“Ik zou ook wel een dagje met jou willen ruilen.”

De piloot loopt op me af en legt zijn pilotenpet op mijn hoofd. Dit is de mooiste dag van vandaag.

“De volgende halte is Vancouver,” zeg ik, terwijl we met de bus het Haarlemmerplein op rijden.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden