Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

In elke zin leek aan het eind een ironische krul te zitten

PlusTheodor Holman

Toen ik las dat A.L. Snijders was overleden, klonk er in mijn kop een ‘godverdomme’ die de aarde had kunnen splijten.

Wat een schrijver!

Ik kende hem niet eens zo goed.

Heel vroeger heb ik wel eens op de redactie van deze krant een column van hem in het net getikt, want hij schreef die nog met de hand in een wat groot handschrift en zond hem door met de fax.

Wat hield ik van zijn verhalen. Het was alsof ik er steeds meer van ging houden.

Ooit interviewde ik hem met Gijs Groenteman en mij viel toen zijn vrolijke vriendelijkheid op. In elke zin – net als in zijn Zeer korte verhalen – leek aan het eind een ironische krul te zitten; soms zat dat ook in zijn blik, met die borstelige wenkbrauwen.

De laatste keer dat ik hem zag, was in Amsterdam, een paar jaar geleden. Het was in de Jacob Obrechtstraat, vlak bij de Van Eeghenstraat. Hij droeg een lange waxcoat en hij stapte net in zijn Landrover. Ik zei tegen hem dat ik hem vond lijken op de moordenaar in een Engelse misdaadserie. En hij zei – ik had niet het idee dat hij wist wie ik was – dat hij als lijk ongeschikt was.

Ach, die Snijders. Als je zijn verhalen regelmatig las – en ik kreeg ze wekelijks in mijn mail – dan was het of hij je hoofd voor je ontsloot. Je liep met hem mee langs bijvoorbeeld de golfclub waar hij blijkbaar vlakbij woonde, volgde hem in zijn associaties met vroeger, hoorde een buurvrouw praten, had oog voor de schlemielen en intussen was het of Nescio, Tsjechov, Toergenjev, Carmiggelt en de halve Nederlandse literatuur aan poëzie met je meeliep en vroeg je je steeds af wat zijn stijl zo geweldig maakt.

Daar ben ik nog niet over uitgedacht. Zijn zinnen (en daardoor ook zijn verhalen) waren soms schetsen in een schetsboek dat je op een zolder hebt gevonden – ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven – met af en toe een kleurrijke wending als een toetje. In de laatste column die ik ontving, Stoa, gaat hij stiekem naar de golfbaan: ‘Daar vraagt bijvoorbeeld een onbekende man hoe het gaat met mijn ezel. Die vraag maakt me chagrijnig, ik heb nooit een ezel gehad – ik kijk wel eens naar een ezel als ik in Artis ben.’

Voor mij zijn dit magische zinnen – ik weet niet waarom.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden