Column

In een stad als Amsterdam bestaan geen echte onbekenden

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Op de warmste 8 april ooit gemeten, bezocht ik de ­begraafplaats. De zon scheen de grafstenen warm. Als ik een middelgroot biefstukje op zo'n steen had neergelegd, zou het de volgende dag gaar zijn geweest.

In de verte werd iemand begraven. Een klein groepje mensen keek een kist de grond in. De aarde slikte ­zonder te kauwen door en toen iedereen weg was, liet het een houterige boer.

Ik bleef even stilstaan bij het groepje mensen. Niet dat ik de persoon in kwestie kende, maar ik had hem of haar ook niet níet gekend. In een stad als Amsterdam bestaan geen echte onbekenden. De stad is er te klein voor. We hebben elkaar allemaal wel een keer gezien.

Een oude man trok zijn stropdas recht, ging naast het graf staan en las een tekst van zijn telefoonscherm af.

"Iedereen die mij kent, weet dat ik geen prater ben. Dat ik een man van de stilte ben, maar soms is de stilte niet genoeg. Mijn zus is dood. Iedereen om me heen gaat dood en ik doe maar alsof ik door kan gaan. Ik doe alsof ik niet al lang en breed schaakmat sta. Verdomme, we moeten maar gewoon doorgaan. The show must go on en zo, maar ik denk niet meer dat ik het publiek iets te bieden heb, als er überhaupt nog publiek is."

"Als ik aan mijn zus denk, denk ik aan snelwegverlichting. Soms, als we allebei niet konden slapen, belde ze me op en dan haalde ik haar op. En dan reden we de hele nacht over de snelweg. We reden tot de snelwegverlichting uitging. Dat vond ze zo'n magisch moment. Dat de snelwegverlichting kon gaan slapen, omdat het buiten licht genoeg was."

Ik knikte naar de broer en liep verder naar het graf van een vriend van mijn vader. Mijn vader tenniste altijd met hem en nog twee andere vrienden. Soms, als ­iemand ziek was, mocht ik invallen.

Dan speelden we twee tegen twee, maar de dag dat mijn vader in zijn ­eentje op de tennisbaan staat, komt steeds dichterbij. Ik hoop dat hij mij die dag opbelt en dan tennissen we ­samen tot de baanverlichting uitgaat. En ik zal hem ­laten winnen, zoals hij mij vroeger met schaken liet winnen.

Daarna liep ik langs het graf van de vader van mijn buurjongen. Ik legde mijn hand op zijn graf en zei iets. "We zagen je wel staan, ouwe rups." Zijn zoon en ik voetbalden vaak in de straat.

We waren goed, maar niet goed genoeg. Niet goed genoeg voor publiek in elk ­geval, maar zijn vader keek altijd door de gordijnen naar ons goedbedoelde gepruts.

Toen ik weer naar de uitgang van de begraafplaats liep, zag ik dat de man die zijn praatje begon met te ­vertellen dat hij geen prater was, nog steeds aan het praten was. Ik zag hoe een andere man de kramp uit zijn kuiten probeerde te stampen.

"Ik wil jullie allemaal bedanken voor jullie aanwezigheid. En ik was misschien wat negatief, maar dat is dan maar zo. Het leven gaat door, maar de dood ook. En toch wil ik positief eindigen. Ergens ter wereld springt op dit moment de snelwegverlichting aan."

"Sluit de ogen. We staan langs die weg. Zien jullie dat blauwe busje staan? Stap met mij in dat busje. Bel je man of vrouw op en zeg dat je morgenochtend pas weer thuis bent. Want wij zullen gaan rijden tot de snelwegverlichting dooft."

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden