Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

In een oorlog is iedereen zijn ik kwijt. Een soldaat heeft sowieso geen ik meer

PlusTheodor Holman

Theodor Holman

Het was of zijn goede been niet wilde wennen aan zijn kunstbeen.

En het was irritant dat iedereen zei: “Wat loop je er al goed op.”

Wat bedoelden ze daar precies mee? Je kan alweer naar het front. Of: het valt mee hè, zo’n been. Hij zag de mensen kijken als hij hinkte.

Geamputeerd zijn is constant beseffen dat je voor een deel dood bent, maar tevens dat je net zo goed dood had kunnen zijn.

Zijn fantoompijn speelde op. Precies op de plek waar hij op die granaat stapte; onder aan zijn voet die meteen weg was, net als de rest van zijn onderbeen.

Hielpen zijn pillen die de pijn moesten wegnemen? Hij had weerzin om ze te slikken. Hij wist dat zijn hersens dachten dat hij zijn been en voet nog had en gek genoeg wilde hij dat zijn hersens dat bleven denken. Die ontzagwekkende pijn was eigenlijk een bewijs dat hij leefde, een oorlog had meegemaakt, nuttig was geweest in een nutteloos verhaal. “Of misschien was het nutteloos in een nuttig verhaal.”

Fantoompijn – dat een illusie gekmakende pijn kan veroorzaken, vond hij een wonder. De oorlog die werd gevoerd was eveneens gebaseerd op een illusie. Die illusie deed ook pijn. De moeders, de vaders, de broers en zusters, de kinderen, die partners van de omgekomenen, ze leden allemaal pijn. “Is hun pijn anders dan mijn fantoompijn? Deden hun hersens ook niet net of de doden nog bestonden?” Fantoompijn is een teken van hersens in rouw. Ze kunnen geen afscheid nemen van wat ze niet meer konden bereiken.

Hij stelde zich voor zich hoe zijn fantoompijn als een spook door de wereld waarde, het spook van het religieus idealisme.

Hoe het kwam wist hij niet, maar hij schaamde zich voor zijn been en was bang dat die gêne zou blijven. “Ik ben niet alleen mijn been voor altijd kwijt, maar ook een deel van mijn ik.” In een oorlog is iedereen zijn ik kwijt. Een soldaat heeft sowieso geen ik meer, alleen als hij moet kakken en pissen. Dat doet hij tussen het schieten door.

“Ik verbeeld me dat de fantoompijn minder wordt,” dacht hij en hij verbaasde zich over die zin.

“Ik verlies mijn illusies, misschien dooft dat mijn pijn.”

Hij liep door zijn kamer en bleef de merkwaardige, in wezen gevoelloze constructie aan zijn been voelen.

“Onze volkeren komen hier gehandicapt uit.”

De fantoompijn begon weer.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden