Opinie

‘Ik zit niet op afhankelijkheid te wachten’

Vernederend, zo voelde de behandeling die Franz Schwab kreeg als gehandicapte bij de GGD in Amsterdam. ‘Wat ik voel, is dat ik iemands sympathie moet winnen voor iets waar ik inhoudelijk gewoon recht op heb.’

Een kind met polio leert lopen met krukken.Beeld Josef Scaylea/Corbis via Getty Images

Een grote ontvangsthal, mooi klassiek houtwerk. Ik volg de bordjes de lift in, naar boven. Een onpersoonlijke wachtkamer.

Ik moet lang wachten en hoe langer ik wacht, hoe meer het me opvalt hoe klantonvriendelijk de ruimte is. Systeemplafond, neonlicht, alleen maar bordjes met verboden en deuren met toegangspasjes. Mensen die door die deuren lopen groeten elkaar niet.

Ik word opgehaald. De dame loopt rap voor me uit, ik kan haar niet bijhouden. Voor de deur van de kamer wacht ze me op, nadrukkelijk observerend hoe ik loop. Binnen dirigeert ze me naar de stoel waarin ik mag zitten. Geen 1,5 meter afstand, maar 3 meter bij haar vandaan, met de rug van de stoel tegen de muur.

“Wat brengt u hier?” zegt ze.

Ik weersta de neiging een Amsterdamse grap te maken, in de zin van ‘de tram’. Tegelijkertijd voel ik dat hier heel professioneel een gesprekstechnisch valletje wordt opgezet, het komt er wel op neer de goede antwoorden te geven.

Geen oogcontact

Ik vertel over polio op eenjarige leeftijd, over overbelasting van mijn goede been en over de regelmatige valpartijen, vaak als ik uit een auto stap, waarbij ik altijd iets breek. Dat ik twee keer een knieschijf heb gebroken, lijkt indruk op haar te maken, hoewel dat toch in het dossier van de huisarts te vinden moet zijn.

In de vijftien minuten die volgen, maakt de dame in kwestie geen enkel oogcontact meer met me. Ze vat niet samen, vraagt niet door. Ze zoekt mijn huisarts in de computer, maar kan hem niet vinden. Vier keer vraagt ze zijn naam.

Ik heb de tijd om rond te kijken. Opnieuw zie ik een extreem onpersoonlijke kamer. Fel licht, witte muren, geen ramen. Geen doosje met rubber handschoenen wat ik wel zou verwachten. En ook geen onderzoeksbank. Mag ik mijn kleren aanhouden? Ik begin de lange stilte ongemakkelijk te vinden.

Ik reageer na een minuut of tien dat mijn specialist in het AMC veel meer kennis van mijn dossier heeft dan mijn huisarts; ik loop daar al zo’n 25 jaar. Mijn inbreng wordt niet gewaardeerd. “Uw huisarts heeft alle informatie,” klinkt het afgemeten. En: “Het gaat niet om het verleden, het gaat om uw toestand nu.”

De huisarts blijft onvindbaar. Het wordt wat grimmig tussen ons, ik vraag me ernstig af of dit goed gaat komen.

De dame wil weten of ik een beenverkorting heb. Ik draag een lange beenbeugel met een verhoging van 5 centimeter erin. Ik verzin bliksemsnel een strategie om haar te dwingen wat minder afstandelijk met me om te gaan en trek mijn broekspijp omhoog om de beugel te laten zien. Ze kijkt vanachter haar bureau en schrikt.

“O, dat is een heel dun been.”

“Ja, dat noemen ze in medisch jargon een stokbeen,” reageer ik sarcastisch.

Intussen twijfel ik ernstig aan haar medisch inzicht. Ik vraag me af of deze vrouw wel arts is. Maar wat is ze dan?

Onbekende spelregels

Opeens slaat de sfeer om. “Ik ga heel erg mijn best voor u doen,” vertrouwt ze me toe.

Mijn strategie heeft blijkbaar gewerkt, maar eigenlijk vind ik het van de zotte dat het zo moet. Heeft de GGD opdracht om zo min mogelijk gehandicaptenparkeerkaarten uit te geven? Heeft deze vrouw een strenge taakopvatting als poortbewaker? Heeft ze een hekel aan mensen? Of vervangt ze de dokter die op vakantie is?

Ik voel dat ik in een bureaucratie terecht ben gekomen waarvan ik de spelregels maar niet kan ontdekken. Wat ik ook voel is dat ik als gehandicapte haar sympathie moet winnen om iets voor elkaar te krijgen waar ik inhoudelijk gewoon recht op heb. Het benadrukt het gevoel van afhankelijkheid waar ik een meer dan gemiddelde hekel aan heb.

Twee maanden later krijg ik bericht dat de parkeerkaart is toegekend. Mede door die lange wachttijd ben ik er intussen van overtuigd dat niet alleen ik, maar ook de GGD zo haar beperkingen heeft. Ik een blauwe kaart, zij een gele. Die blauwe is een zegen.

Franz Schwab is eigenaar van Schwab Training en Coaching. Hij heeft polio sinds zijn kinderjaren. In 2010 werd postpolio bij hem geconstateerd.Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden