Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

Ik zie dat zijn moeder permanent in de sorrystand staat

PlusRoos Schlikker

In het opgeprikte etablissement wil ik net een hap soep nemen als een roze ballon naast me verschijnt. “Hallo! Ik ben Elvan. Aangenaam kennis te maken,” schreeuwt de ballon die is getekend op een gigantisch vel wit papier vastgehouden door twee zweterige knuisten. Erachter doemt het gezicht op van een meisje. “Hoe heet jij? Roos? Leukenaamleukenaamleukenaam!”

“Elvan, kom hier.”

Elvan dribbelt naar haar stoeltje.

“Val die mevrouw maar niet lastig.” Een vrouw in bloemjurk buigt zich naar me toe en zegt zacht: “Excuus.”

Die verontschuldiging is natuurlijk helemaal niet nodig maar ik zie dat Elvans moeder permanent in de sorrystand staat. Sorry tegen de ober als Elvan hard lacht, sorry tegen het hippe kipje op zoek naar een tafel tegen wie Elvan ‘Hoooooooi’ brult, sorry tegen mij.

Ergens snap ik het wel. Als ouder ben je vaak bang dat je kinderen overlast veroorzaken. We willen aangepaste figuren de wereld insturen, dus dienen ze niet te schreeuwen, met spullen te smijten of alle knopjes van de lift in te drukken. Logisch. Maar soms voel ik dat ik het te graag wil, kinderen die zich aan maatschappelijk aanvaarde regels houden. Een driftbui op straat, een bijdehante grap, een gejat dropje laten me beschaamd het hoofd buigen. Klotsende oksels krijg ik als de juf me uitnodigt voor een gesprekje omdat een van mijn gasten lastig is. Ik wil niet dat ze lastig zijn. Tegelijkertijd denk ik: laat ze maar boos worden, hard praten, vrijheid nemen. Ik deed het niet.

Mijn plichtsgetrouwe moeder was al bang dat ze in het schavot werd gekeild als ze een kauwgompapiertje per ongeluk naast een ondergepiste stadsprullenbak had gegooid. Daardoor vreesde ook ik vaak iets vreselijks als ik een regel overtrad.

Mijn eerste week op het gymnasium gingen we meteen op schoolreisje. Doodsbang was ik om negatieve aandacht te trekken. Straks werd ik van die belangrijke school gestuurd. Ik was de enige die om half negen klaar stond in haar nachtponnetje, tanden gepoetst, terwijl de rest van de klas tongend in de bosjes lag. Pas na mijn achttiende ging ik muiten, wat ongezond laat was.

“Je past je maar aan,” – ik hoor het mijn moeder nog zeggen. En dat deed ik.

Elvan niet. Zij heeft een gele ballon naast de roze getekend en staat weer naast me. “Ik ben Elvan,” brult ze. ‘Dat weet ik,’ wil ik zeggen maar ze onderbreekt me. “Aangenaam kennis te maken!”

De moeder schudt haar hoofd. “Elvan.”

Maar Elvan zingt. “Dudeljoho klinkt zijn lied, dudeljoho klinkt zijn lied.” Dan komt ze met haar kopje heel dicht bij me. Haar ogen vervormen tot één bleekblauwe streep. “Jij bent mooi,” zegt ze.

“Jij ook,” antwoord ik.

De moeder pakt Elvans hand en neemt haar mee, de zaak uit. Vlak voor de deur dichtslaat zwaait ze wild naar me. “Ik ben Elvan!”

Dag Elvan. Aangenaam kennis te maken.

r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden