Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Ik zag het voor me. Het wiel en het kuiken

PlusMaarten Moll

Naaktslakken kropen over het natte schelpenpad, voor de rest was het rustig en stil op de dijk.

In de verte reed een tram voorbij.

En kwam me iemand tegemoet.

Dat heeft altijd iets, iemand die je tegemoetkomt. ­Verwachting. Een persoon nog in nevelen gehuld, die zichzelf gedurende het lopen uitpakt.

Een striptease met kleren aan.

Soms is het een bekende waar je geen zin in hebt, soms iemand die je hier nog nooit hebt gezien.

Het kan ook een voorbode zijn. Iets dreigends. Staat de Dood voor je op het pad, al heb ik dat nog niet meegemaakt.

Deze persoon was een man, en ik zag pas vrij laat wie het was.

Broodman.

Zonder fiets. Wel met het plastic zakje broodkruimels in zijn hand.

Af en toe bleef hij staan en strooide hij kruimels over het pad. Van de geluidschermen langs de snelweg kwamen de vogels aangezweefd.

“Waar is uw fiets?” vroeg ik toen hij me passeerde.

Broodman bleef staan.

“Wil je dat echt weten?”

Ik knikte.

Hij wees naar het water.

“De zwanen,” zei hij.

Ik zweeg.

“Hoeveel kleintjes?”

“Vier,” zei ik.

“Het waren er vijf.”

Dit werd geen vrolijk verhaal.

“Vorig jaar waren het er ook vijf. Mooi hoe je ze ziet opgroeien…”

Hij ontweek mijn blik, sprak langs me heen. Friemelde wat met de broodzak. Wees toen.

“Ze steken daar over naar het Nelson Mandelapark.”

Ik wist wat hij bedoelde, ik had al een paar keer de familie aan de wandel gezien tussen de dijk en de parkvijver. Altijd met een wat haveloze vrouw erbij die als een klaar-over met grote gebaren het verkeer tegenhield.

“Ik kwam van het station gefietst, was met mijn gedachten heel ergens anders. Je moet weten dat… nou ja, dat doet er niet toe. En opeens hoorde ik die vrouw schreeuwen.”

Hij keek me nog steeds niet aan.

“Ik reed recht op zo’n jong af.”

En ik wist nog steeds niets te zeggen.

“Ik week uit naar rechts, om eromheen te rijden.”

Hij maakte een machteloos gebaar met zijn armen.

Ik zag het voor me. Het wiel en het kuiken.

Hij had niet verder hoeven te vertellen, deze verhalen kennen maar één vervolg.

“Waarom ging dat zwaantje niet de andere kant op?” zei hij.

Zijn stem was nu zo dik dat hij de woorden als dikke keien uit zijn mond perste.

Ik wilde hem troosten, maar wist niet hoe.

“Jeetje,” zei ik maar.

“Ik heb de fiets daarna niet meer aangeraakt,” zei Broodman. “Ik durf niet meer.”

Hij liet de broodzak rondjes draaien. Ik schopte een steentje weg.

“Nu weet je het,” zei hij, en hij liep verder. Aan de andere kant van het pad hupte een kauwtje met hem op.

Het was nog vroeg in de ochtend.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden