null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Ik wilde het meisje van het bed trekken

PlusErik Jan Harmens

Het was zondagochtend 10 uur. Ik liep over de Vijzelgracht. De weg lag overal open en ik dacht aan Stalingrad. De stad de dag na de slag. Er was niemand op straat, behalve dat oude vrouwtje dat er altijd loopt, die volgens gangbare normen een beetje in de war is en schuttingtaal bezigt tot niemand in het bijzonder in de categorie: “Hoeren! Kankerlijer! Kut!”

Normaal gesproken wordt ze genegeerd of met rust gelaten, soms uitgelachen. In het ergste geval maken mensen video’s met hun telefoon om op hun socials te delen, de vrouw onterend als een dorpsgek in de middeleeuwen. Nu was alleen ik getuige van haar enumeratie. Ze begon steeds sneller te roepen en ik moest denken aan een performance van de legendarische Johnny the Selfkicker: “Kom toch eens kláár, klootzak!”

Ik liep een zaakje in voor een coffee to go. Doe maar een flat white, zei ik, want dat was het duurste op de kaart en de horeca heeft het moeilijk. “Hé Erik Jan,” zei iemand achter me, die ik ondanks het mondkapje meteen herkende. Ik wist zelfs zijn naam op te dissen, wat mij zonder badge op de borst vaak niet lukt. Gezegd moet worden dat hij geen moeilijke naam heeft, namelijk Peter, maar je moet ’m toch nog maar aan de juiste persoon weten te koppelen.

In museum Foam op de Keizersgracht bezocht ik de tentoonstelling I Know How Furiously Your Heart Is Beating van de Amerikaanse fotograaf Alec Soth. Ik weet hoe je zijn achternaam uitspreekt, want op zijn website staat: rhymes with both. Het was de laatste dag, dus dit is een mosterd-na-de-maaltijdpromotiepraatje. Had het nog gekund, dan zou ik als ik u was zeker zijn gegaan. Het tweede deel van die zin staat in de voltooid toekomende tijd; een werkwoordsvorm waar ik moeite mee heb, want hoe kan iets wat in de toekomst ligt voorbij zijn?

In Foam hing een foto genomen in Odessa, getiteld Sonya and Dombrovsky. We zien een jong meisje met sproetjes in een zalmroze jurkje. Als ik schrijf jong, dan bedoel ik ook echt jong. Achter haar wijdbeens een man van in de veertig, zijn blote bassie bedekt met tatoeages. Het stelletje was met grootbeeldcamera ver­eeuwigd, het beeld daardoor zo gedetailleerd dat het was alsof ik haar kon aanraken. Hem ook, maar dat wilde ik niet. De blik op haar frêle gezicht was onbestemd en het voelde niet pluis, ik wilde het meisje van het bed trekken. Die ­aanvechting fascineerde me: ik ontkende het kunstwerk, begon zelf deel uit te maken van het ingelijste beeld.

Toen ik vol vaderlijke beschermingsdrang Foam weer uitliep, was de stad iets minder ­verlaten dan eerder die dag. Blijkbaar zijn er gradaties in hoezeer je verlaten kunt zijn.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden