Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Ik wil niet denken aan die kinderen en die moeders die zes verdiepingen onder de grond zitten opgesloten

PlusTheodor Holman

Theodor Holman

Ik liep met mijn vader en hond Jasper in het Vondelpark. Zoals altijd werd de hond gebruikt als afleidingsmanoeuvre als het gesprek een kant opging die hij niet wilde.

“Hoe was dan de oorlog voor jou, pap?” (Altijd maar proberen.)

“Vreselijk, nou ja, tja… Hier, Jasper! Hier! Zie je hoe goed hij luistert? Zit! Zit! Goed zo, braaf.”

“Je zat op een boot naar Birma en die werd gebombardeerd… En toen?”

“Ja, dat was niet leuk… Wat zit hij daar te doen? Hij zit toch geen stront te vreten hè? Nee! Af! Kom hier!”

Hij zweeg erover, net als mijn moeder. De gebeurtenissen waar ze het meeste angst voor hadden gehad bleken nooit langer dan één zin van een woord of vijf zes. Daarmee was het verhaal verteld.

“Toen werd de boot gebombardeerd.”

“Ik kwam in de dodentent terecht.”

Als ze het zouden dramatiseren, zouden ze in de gebeurtenis moeten stappen en in die wandeling hadden ze geen zin; ze zouden wellicht iets te veel, iets onwaars of iets te weinig vertellen. Zwijgen was de tovermantel waaronder alles verdween als je die om je heen sloeg.

Stel dat er nog iemand uit die nu constant gebombardeerde staalfabriek in Marioepol komt en we straks aan het bericht moeten wennen dat er vele onschuldige burgers waaronder vele, vele kinderen zijn gedood, dan zullen die overlevers niet anders kunnen doen dan zwijgen. Voordat je sterft, word je namelijk monddood gebombardeerd – en als je dan toch door een mirakel overleeft, blijf je monddood.

Ik kan daar slecht tegen, en ik merk dat ik u, lezer, als psychiater misbruik – eigenlijk iedereen die ik tegenkom. Heb ik dan een psychiater nodig?

Ik merk dat ik mijn voorstellingsvermogen niet wil gebruiken. Ik wil niet denken aan die kinderen en die moeders die zes verdiepingen onder de grond zitten opgesloten terwijl er op elke uitgang een kanon gericht staat. Tegelijkertijd moet ik er steeds aan denken en speur ik het nieuws af, op zoek naar informatie.

Je merkt de begrenzingen van het woord ‘onvoorstelbaar.’

Ik ben nu zelf een zwijger geworden.

Na het onvoorstelbare komt het absurde.

Mijn vader vertelde wel iets anders in het park toen ik aandrong om over dat bombardement te praten.

“Nou… ja… dus we zaten in dat ruim. Opeens liet de man naast me een keiharde wind en zei: ‘Dit was een losse flodder. Straks schiet ik met scherp!’”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden