Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Ik werd naar de begraafplaats gestuurd om buurman Ton te zoeken

PlusMaarten Moll

Eigenlijk was ik niet voor Nescio naar De Nieuwe Ooster gegaan.

Als ik het graf van buurman Ton niet kon vinden, zou ik toch een doel hebben, en kon ik even stilstaan bij de schrijver van wie net de biografie was verschenen.

Buurman Ton. Ik weet zijn achternaam niet meer. Aardige man, op zichzelf, een beetje schuw, maar dan weer niet te beroerd om vanuit zijn slaapkamerraam luid aanwijzingen te geven hoe we het vuur van de barbecue moesten aanblazen, en wel zo dat de rook niet zijn tuin inwaaide.

Waarom we hem niet uitnodigden mee te barbecueën weet ik ook niet meer.

’s Avonds laat kwam er weleens muziek door de muren.

Terug van een zomervakantie hoorden we dat hij ernstig ziek was, en niet lang daarna overleed hij.

Ik heb aan zijn graf gestaan, het was een zonnige dag. Er waren meer mensen dan ik had gedacht.

Hoe lang is dat geleden? Meer dan vijftien jaar, denk ik. Zijn zoon is nu een volwassen vent.

Soms komt buurman Ton langs in mijn hoofd, maar ik krijg zijn gezicht niet helder.

Minzaam glimlachen, dat deed hij, wat vaak wordt verward met spottend glimlachen.

Ik heb een hele tijd in dozen en enveloppen gezocht naar een foto waar hij misschien op zou staan. Eén keer staat hij erop, afgewend. Sommige mensen hebben het talent niet eens als bijvangst op foto’s te acteren.

Zo verdwijnen gezichten.

Hij lijkt op een Franse acteur die ik eergisteren in een film zag.

Die Franse acteur stuurde me naar de begraafplaats om buurman Ton te gaan zoeken. Om dat verdwijnen enigszins tegen te gaan.

Ik loop tussen de zerken, daar waar ik me herinner dat hij is begraven.

Steeds die hoop die naam te lezen die me kan doen stilstaan.

Waarom loop ik hier eigenlijk? Buurman Ton en ik hadden niet zo veel met elkaar, ik geloof dat ik in de vijf jaar dat ik naast hem heb gewoond in de Van der Vijverstraat, nooit bij hem binnen ben geweest.

Ik denk dat ik bang ben dat weer iemand zomaar uit mijn geheugen zal verdwijnen. Dat er niemand meer zal zijn die aan hem zal denken, al is dat, gezien de drukte aan zijn graf, niet waarschijnlijk.

Ik ben natuurlijk bang dat dat met mij zal gebeuren.

Karel van het Reve heeft daar heel mooi over geschreven. ‘Wonderlijk is, dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen. Bij ons thuis kwam in de jaren dertig een Kominternagent, Karl genaamd, een Duitser. Het was een aardige man. Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’

Ik vind dat een zeer aangrijpende passage.

Ik loop verder, zoek verder, dool verder. Maar hij laat zich niet zien, buurman Ton, en hij roept me ook niet.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden