Plus Column

Ik was vergeten hoe gelukkig ik van voetbal kon worden

Johan Fretz Beeld Wolff

"Is het hier nu zo k-k-koud in huis?" vroeg ik aan mijn vriendin.

"Koud? De verwarming staat op 20,5!" antwoordde ze. "Je bent helemaal aan het rillen, dat voetbal is niet gezond voor jou."

Het was woensdagavond. De eerste helft was net gespeeld, het stond 1-1. Rust dus. Welkome rust. Ook voor mij, ik was nu al kapot. Mijn vriendin zou vermoedelijk wel nooit gaan begrijpen wat het betekende om Ajax in de kwartfinale van de Champions League te zien te spelen, op leven en dood, maar het feit dat ze me ongestoord in mijn roes van zenuwen en verwachting liet ronddolen - weliswaar met een koptelefoon op en onder de voorwaarde dat ik alleen luid zou schreeuwen wanneer een Godenzoon de winnende zou maken - was een vorm van onvoorwaardelijke liefde.

Toen moest de tweede helft dus nog beginnen. Die vijfenveertig minuten, waarvan de eerste tien reeds de nerveuze rilling wegnamen. Er kwam iets anders voor in de plaats: eerst verbijstering, een onverwachtse golf van bewondering, heilig geloof in de goede afloop, daarna, bij de 2-1, een bevrijdende vreugdekreet en tot slot alleen nog maar kinderlijke blijdschap.

Ik was vergeten hoe gelukkig ik van voetbal kon worden. Echt gelukkig.

Niet om iets af te doen aan het eerdere spektakelstuk in Bernabéu, Madrid, maar dat kon met wat Hollandse nuchterheid nog worden bestempeld als een zonderlinge uitschieter. Hier was meer aan de hand, dit was een herbeleving van het grootste soort voetbalgeluk, dat slechts aan zeldzame momenten zit verkleefd.

Dennis Bergkamp, Argentinië, 1998. Sneijder, Brazilië, 2010.

Herinneringen aan ongecontroleerd blij in mijn vaders armen springen, toen hij nog twee longen had waarmee je zwemmend de oceaan kon oversteken en hij mij kon optillen zonder zijn rug te breken. Het was al een behoorlijk poosje geleden dat ik zulk voetbalgeluk live mocht ervaren, dus zonder eerst naar archiefbeelden te hoeven kijken. En misschien was het geluk wel zo groot omdat er in de zegetocht van dit Ajax ook een aansporing zat naar de wereld buiten het veld: om overal, in Amsterdam, in Nederland, te laten zien dat het grote geld en zielloze opportunisme het niet altijd winnen van durf, verbeelding, schoonheid, liefde.

Mijn vriendin sloop de kamer binnen en zag me zitten, een jongen van tien in het lichaam van een drieëndertigjarige man.

"Ach mannetje," zei ze. "Zit je nu te huilen? Hebben ze verloren?"

"Nee," zei ik. "Ik bedoel: ja, ik zit te huilen om Ajax. Maar niet omdat ze hebben verloren. Juist omdat ze hebben gewonnen. Om hoe ze hebben gewonnen. Om Matthijs de Ligt, die ken jij niet, maar die is pas negentien en hij maakte de winnende, dat was toen ik zo gilde. Enfin. Ik huil eigenlijk vooral om hoe hij net, met die ontwapenende glimlach, vertelde dat hij, toen Ajax voor het laatst zover in dit toernooi kwam, nog niet eens geboren was."

Ze keek me aan en vroeg zich misschien wel af of dit een goed moment was om de nachtdienst van de GGZ te bellen, maar zei toen, onderkoeld: "Aha... Oké. Nou, ik begrijp dat dit een heel ontroerend moment voor je is, maar ik ga nu slapen. Ga je mee?"

"Nee," zei ik. "Ik ga de wedstrijd nog een keer kijken."

"Nog een keer!? Maar je hebt hem net gezien!"

Dat klopte. Maar ik wilde 'm nog een keer zien. En nog een keer.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij heeft een wekelijkse column in de krant.

Reageren? j.fretz@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.