Maarten Mol Artikel Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Mol ArtikelBeeld Sjoukje Bierma

Ik was geen rockster, geen schilder, maar opticien geworden

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Twee keer op één dag.

Eerst in de boekhandel.

Ik stond de achterflap van Kruispunt te lezen, de nieuwe roman van Jonathan Franzen.

Er kwam een man naast me staan.

Ik las verder.

Hij tikte me op mijn arm.

“Meneer. Waar vind ik dat boek van Amalia?”

De toon was niet heel vriendelijk.

Ik keek op van de achterflap. Het ongeduld droop van de man af. Hij had een rode broek aan.

Altijd oppassen als je een man met een rode broek ziet. (Lang verhaal, andere keer.)

Schoenen met kwastjes.

Hij verwachtte duidelijk een kort en zakelijk antwoord.

“Geen idee,” zei ik.

De man keek me eerst verbaasd aan, toen met een ergerlijke trek op zijn gezicht.

“Geen idee? Dat boek is een bestseller, en u weet niet waar het ligt?”

Ergens in die zin had ik een denigrerend klinkend ‘beste man’ verwacht.

Ik schudde mijn hoofd.

Hij kwam een decimeter met zijn gezicht naar me toe en bestudeerde me.

Ik bestudeerde hem ook. Er groeiden heksenharen op zijn neus. Van die zwarte haartjes die ik zelf altijd al in een vroeg groeistadium met een pincet uit mijn neus trek.

“Maar u werkt hier toch?”

Ik telde er zes.

Ik had mijn jas aan, de sjaal hing om mijn nek.

“Nee, ik werk hier niet.”

“Ik zou toch zweren…” zei de man, maar hij maakte zijn zin niet af.

“Ach, daar zie ik het al liggen.”

Hij wees. “Onthoudt u het als er weer iemand om komt vragen?”

Had ie me toch aan het lachen gemaakt.

Iedereen kent dat wel, dat je wordt aangezien voor iets dat je niet bent. Ik was een boekverkoper. Ik weet niet precies wat dat over me zegt. Iets in me wil nog steeds een rockmuzikant zijn, of een wilde schilder.

Later op de dag, aan de andere kant van de stad, bijna aan het einde van de Kinkerstraat.

De brillenwinkel.

Ik kwam er voor een nieuwe contactlens.

Omdat ik te vroeg was, deed ik mijn jas uit, hing die over een stoel, ging aan de grote tafel zitten, en bladerde in een oude Vrij Nederland.

Er kwam een vrouw op me af. Ze bleef aan de andere kant van de tafel staan.

“Kunt u me helpen, mijn man ziet niet goed meer,” vroeg ze vriendelijk.

Schuin achter haar stond een man er wat wezenloos bij, met zijn pet in zijn handen.

“Ik werk hier niet,” zei ik voor de tweede keer binnen een paar uur.

“Neem me niet kwalijk,” zei de vrouw.

“Geeft niets,” zei ik, “ik had u graag geholpen.”

“U ziet er ook echt helemaal uit als een opticien. Dus ik dacht, ik vraag het aan u.”

In mijn dromen ben ik alles geweest, maar werkelijk nooit, maar dan ook nooit een opticien.

Ik was er toch een geworden.

Daar ging mijn gitaar, daar ging mijn penseel.

Ik denk dat ik dan toch liever boeken verkoop.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden