PlusColumn

Ik volg de man die best wel eens een engel zou kunnen zijn

James Worthy
James Worthy Beeld Agata Nowicka
James WorthyBeeld Agata Nowicka

Bij de ingang van de supermarkt staat een man in een rood hesje. Hij groet iedereen die binnenkomt. In zijn handen heeft hij een stapel krantjes. Hij is de enige ­persoon in de supermarkt die geen haast heeft. Die niet ergens anders wil zijn. De man staat al zo'n twee jaar op dezelfde plek. En hij staat er prima. Daar, naast zijn kasteelmuur van boodschappenmandjes.

Toen ik hem voor het eerst zag staan, wilde ik hem helpen. Zijn aanwezigheid riep een soort ontfermingsdrang bij me op. Ja, hij had mij nodig. Zo voelde ik het. Maar vandaag de dag weet ik dat het andersom is. Ik heb hem nodig.

Zo nu en dan wil ik hem zelfs zijn. Wil ik aan hem vragen of ik een dagje met hem mag ruilen. Ik wil daar staan met die stapel krantjes. Goedendag zeggen tegen iedereen die komt en goedenavond zeggen tegen iedereen die de winkel verlaat.

Ik geloof niet in god, maar als ik wel in god zou geloven, zou ik zeker weten dat dakloze mensen haar ogen zijn. Dus ook deze man bij de ingang van de supermarkt. Hij oordeelt niet, maar hij ziet alles. Hij ziet dat ik zegels spaar voor ovenschotels die ik nooit ga gebruiken.

Hij ziet hoe ik een statiegeldfles met nog zeker twee glazen drinken erin, in de flessenautomaat schuif. Hij ziet hoe ik sigaretten bij de balie haal en hij ziet de app die aangeeft dat ik al 324 dagen ben ­gestopt met roken. Hij ziet de onwaarheden en de verzinsels.

Hij ziet de kiloknallers, de plofkippen en hoe suikervrij en vetvrij in vrijwel alle schappen met elkaar aan het vrijen zijn. Hij ziet de karretjes vol pitloze druiven en hij ziet de kinderen die niet eens weten dat druiven ooit pitten hadden.

Maar hij oordeelt niet. Nee. Soms denk ik dat hij een engel is en dat hij dat hesje alleen maar draagt omdat hij zijn vleugels eronder kan verstoppen. Ja, dat hesje is zijn vleugelhouder.

Vroeger had ik medelijden met hem, maar nu hoop ik dat hij medelijden met mij heeft. Dat hij snapt dat ik ook maar wat doe. Dat ik ook maar wat aanmodder en dat veel van mijn dagen uit drijfzand bestaan.

En hij staat daar gewoon. Hij staat daar fier overeind naast zijn mandjesmuur. Bijna niemand koopt zijn kranten, maar hij blijft iedereen groeten. Hij weet meer. Hij ziet meer.

Op het moment dat ik aan het afrekenen ben, zie ik hem zijn spullen inpakken. Zijn werkdag zit erop. We lopen samen naar buiten. Het regent. Een mopperende man loopt langs, hij kijkt alsof hij de enige persoon in Amsterdam is die nat aan het worden is.

Ik volg de man die best wel eens een engel zou kunnen zijn. Ik hoop dat hij zijn hesje uitdoet en dat ik zijn vleugels kan zien, maar het regent. Als hij nu zijn hesje uitdoet, worden zijn vleugels nat en kunnen ze krimpen. De man duikt een coffeeshop in om tegen de regen te schuilen. Hij wenst me een goede avond en daarna kijkt hij naar de wolken.

"Ik ben niet van staal, maar ik roest wel," zegt de man.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden