Column

Ik voelde me bepoteld door buskruit

James WorthyBeeld Agata Nowicka

De eerste keer dat ik een echt pistool zag, was tien jaar geleden. Natuurlijk had ik voor die tijd ook weleens ­pistolen op de heupen van politieagenten zien hangen, maar die leken nooit echt. Het was in Liverpool. De stad van mijn vader.

Ik wilde een boek over zijn jeugd schrijven, maar dan zonder research te doen of met mensen te praten. Ik wilde gewoon voelen en zien wat hij in zijn jeugd had gevoeld en gezien. De waarheid boeide me niet, dus in feite schreef ik een geschiedenisboek.

In de eerste week dat ik in Liverpool was, kwam ik een verre neef van mijn vader tegen. Een heel verre neef. Hij zat afgelegen te wezen in een kroeg waar een bord ­boven de toog hing waarop stond dat John Lennon een keer in deze kroeg had gekotst.

De verre neef van mijn vader - gouden klokkie, witte gympen, rood trainingspak - had net een zakje chips gegeten en zoog de smaak smakkend uit zijn vingers. Ik keek naar hem. Hij had veel littekens op zijn hoofd. ­Lelijke littekens. Ik kon me haast niet voorstellen dat de wonden die er eerst zaten lelijker waren dan de littekens die ze hadden achtergelaten.

De verre neef liet mij de stad van mijn vader zien. De vierkante gezichten, de tienermeisjes met de ronde buiken en de goot die tien keer dieper was dan de goot die ik in Amsterdam gewend was.

Ik zag een wedkantoor op de ene hoek van de straat, een drankwinkel op de ­andere hoek van de straat en ik zag de mannen die als ruitenwissers van de ene hoek van de straat naar de andere hoek gingen. Hoop woonde precies in het midden van die straat, maar geen van de buurtbewoners had hem ooit gezien.

In de Range Rover van de verre neef zaten nog twee mannen. Grote mannen. Ze hadden bloemkooloren en slakropvuisten.

Ik vroeg aan de verre neef of hij misschien een crimineel was en toen werd hij eventjes boos. Criminelen vinden het, net als racisten, vaak onverteerbaar als je woorden gebruikt die naadloos bij hun daden passen.

In een naaldbos net boven Liverpool zag ik voor het eerst een pistool. De verre neef schoot ermee op lege verfblikken die hij zelf had meegenomen. Ik schoot ook een keertje, maar ik miste de blikken. Hij schoot alles raak.

De verre neef was zo trots op zichzelf, maar ik was nog trotser op mezelf. Trots op het feit dat ik had ­gemist. Dat het wapen niets met mij deed. Ik voelde me niet machtig. Eerder vies. Gebruikt. Bepoteld door buskruit.

Op de terugreis naar de stad dacht ik aan het nummer I Gave You Power van rapper Nas. Een nummer waarin een vuurwapen vertelt hoe het is om een vuurwapen te zijn. De koude nachten, het bloed, de beelden, de ­razernij en op het einde van het nummer heeft het er ­genoeg van. Geen bloed meer, geen schurken, geen ­begrafenissen. Het blokkeert in de handen van zijn eigenaar.

De eigenaar wordt neergeschoten. Het vuurwapen valt op de grond. Het ligt op straat. Voor even is het geen wapen meer, maar gewoon een ding dat op straat ligt. Het is gelukkig, maar dan wordt het door ­iemand anders opgepakt. Verdomme, zegt het wapen. Bijna was het ontsnapt aan de mens.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden