null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Ik staarde opeens in het gezicht van Salman Rushdie. Of, beter gezegd, in dat van Joseph Anton

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Iemand heeft iets wat jij niet hebt. En dat iets zou jij wel heel graag willen hebben.

Boekhandel Scheltema, bovenste verdieping. Achterin bij het raam op de tafel nieuwe tweedehands aanwinsten.

Ik staarde opeens in het gezicht van Salman Rushdie. Of, beter gezegd, in dat van Joseph Anton. Dat is het pseudoniem dat hij gebruikt sinds er in 1989, na het verschijnen van zijn roman De duivelsverzen, een fatwa over hem werd uitgesproken. (Joseph van Joseph Conrad, Anton van Anton Tsjechov, twee door Rushdie zeer bewonderde schrijvers.)

Een bladzijde of dertig had ik het uitgehouden in De duivelsverzen. (Het lag aan mij, Salman.) Maar dit boek, Joseph Anton. Een memoir, zag er heel mooi uit. Het was ook lekker dik, lag lekker in de hand. Ik was meteen verliefd op het boek. Soms koop je een boek ook gewoon om hoe het eruitziet.

Ik liet het, om nog steeds niet opgehelderde redenen, nog even op tafel liggen, en verdween tussen de stellingen om te kijken of er nog iets van Norman Levine op de planken stond.

Niets. Terug naar Joseph Anton.

Bij de tafel waren twee mannen komen te staan die op een wat gedempte toon met elkaar stonden te praten.

Een man had mijn Joseph Anton in zijn handen.

Ik ging vlak bij ze staan en begon heel aandachtig de ruggen van de boeken in de kast te bekijken.

“Ik was dus bij mijn broer.”

“Die met die Spaanse vrouw?”

“Hè? Nee, die is allang weer terug naar Zaragoza. Karel bedoel ik.”

“Die van die verzamelingen?”

“Die ja, met z’n lege melkpakken… Verzamelt nu ook mondkapjes.”

Ondertussen hield de ene man nog steeds het door mij begeerde boek vast. Hij draaide het tijdens het praten steeds om en om in zijn handen.

“Hoe is het met Karel?”

“Nou ja, in zijn lijf geen spuit, hè. Hij gelooft ook in vliegende schotels en graancirkels, dus dan weet je het wel. Maar het is wel mijn broer. Nou ja, alle kenmerken, hè; hoesten, vermoeid. Hij had net twee bekers melk gedronken die helemaal zuur was geworden.”

“Ik heb zo’n buurman, die…”

“Dus ik liet de dokter komen, en die neemt toch een test af.”

“En?”

“Nou, ik stond er met mijn neus bovenop.”

“Ja?”

“Twee streepjes…”

De andere man begon te lachen.

“Hij was zwanger?”

“Corona, grapjas.”

“En toen?”

“Belt de dokter de volgende dag terug en zegt doodleuk dat hij geen corona heeft.”

“Hè?”

“Geen corona dus.”

“Maar wel zwanger?”

“Kappen nou, leukerd.”

Er volgde een daverende klap.

Ik schrok ervan. Ik stond al een tijd in De buitenvrouw van Joost Zwagerman te turen, en keek op.

De mannen liepen weg, en Joseph Anton lag op tafel. Verbeeldde ik het me, of zag ik hem flauw glimlachen?

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden