Erik Jan Harmens.Beeld Artur Krynicki

Ik realiseerde me dat ik een mens had zien sterven

PlusErik Jan Harmens

Het is 4 februari 1912 en de Oostenrijks-Franse kleermaker Franz Reichelt staat op de eerste etage van de Eiffeltoren. Dat is niet zo verwonderlijk, er staan wel vaker mensen op de eerste etage van de Eiffeltoren. Het wordt pas bijzonder als ik erbij vertel dat langs de reling een tafel is neergezet en dat er een stoel op die tafel staat met daarop Reichelt. 

Nog verwonderlijker wordt het als je het rare fladderpak ziet dat hij draagt. Het is een door hemzelf ontwikkelde uitvouwbare parachute waarmee hij een uitvindwedstrijd hoopt te winnen, vandaag is de dag van de lakmoesproef. Vrienden smeken ’m om eerst met een pop te testen, maar de man weigert, want hij weet het zeker: dit gaat werken. 

Bij wijze van warmdraaien doet hij nog een soort vogeltjesdans. Er komen wolkjes uit zijn neus en mond, want het vriest. Eén voet op de reling, dan de tweede erbij, aansluitend een duik naar voren. Wat volgt is geen zweefvlucht, maar een doodsmak op de harde, bevroren grond. 

Het is allemaal te zien op YouTube en de eerste keer dat ik de ‘Flying Tailor’ zestig meter naar beneden zag kletteren moest ik grinniken. Toen realiseerde ik me dat ik een mens had zien sterven en ging mijn gezicht weer in de plooi.

Een eeuw later kwam mijn moeder regelmatig bij mij op visite om de ramen te lappen. Vaak had ik het zelf al gedaan, maar tuurde ze met een Rob Geus-oog langs het glas en zag ze toch strepen. Ze was niet de grootste en om het hele raam in te kunnen zemen zette ze een tafeltje neer en op die tafel plaatste ze een stoel en daar klom zij dan bovenop. “Ik val niet,” zei ze met een vergelijkbare volharding als Franz Reichelt. Mijn moeder is trouwens twee jaar geleden overleden, maar niet omdat ze naar beneden is gedonderd, gewoon door de kanker. Als ik nu met een Rob Geus-oog langs het glas tuur, zie ik de strepen die zij zag.

We leven in een tijd waarin wetenschappers feiten verkondigen, terwijl een aantal boze burgers er via sociale media een dagtaak van maakt om daar vraagtekens bij te zetten. Als een viroloog zegt dat corona hard om zich heen grijpt, twitteren zij: “Is dat wel zo?” Beweert het hoofd van een crisisteam dat zoveel procent van de ziekenhuisbedden wordt bezet door covid­patiënten, dan kaatsen ze terug: “Klopt dat wel?”

Al die vrijblijvende vraagtekens leveren niets op, behalve volgers en likes. Sommige mensen beleven hun finest hour tijdens deze crisis, terwijl we als samenleving heen en weer wiebelen op een wankele constructie van een stoel op een tafel. Voor ons ligt de diepte, laten we niet naar beneden kletteren.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden