Opinie

‘Ik probeerde zo goed mogelijk te passen bij de witte norm’

Wanneer mag je jezelf Nederlander noemen en wil je dat? In het boek De goede immigrant doen 23 personen hun verhaal. Een voorpublicatie van Jeanette Chedda.

Jeanette Chedda, webredacteur bij Politie Nederland en adviseur bij Chater Finance.Beeld Mart Boudestein

Schrijven over wat een goede immigrant ik ben. Daar heb ik helemaal geen zin in. Ik ben moe van vertellen hoe goed ik ben: een goede vrouw, een goede vrouw van kleur, een goede gehandicapte, een goede moslim, een goede partner, een goede dochter, een goede zus, een goede werknemer en nu een goede immigrant. Altijd bezig met bewijzen hoe goed ik ben. Of dat ik überhaupt mens ben. Want als mensen naar mij kijken, zien ze mijn rolstoel en alle overtuigingen die daarbij horen.

Mijn ouders komen uit Suriname. Mijn moeder is Hindoestaans (uit Saramacca) en mijn vader was Hindoestaans (uit Paramaribo). Ik ben geboren met Osteogenesis Imperfecta (oi). Dat is een aandoening aan mijn bindweefsel, waardoor ik voornamelijk in mijn jeugd vaak botten heb gebroken. Door de vele breuken (100+) – ribben, onderarm, bovenarm, onderbeen, bovenbeen, sleutelbeen, schouderblad, vingers – ben ik ook klein: 1 meter 12. Ik gebruik een rolstoel voor verre afstanden.

In mijn jeugd stond mijn oi altijd op de voorgrond. Geen tikkertje, niet rennen, niet klimmen. Altijd heel voorzichtig zijn om de kans dat ik wat zou breken te verkleinen. Ik mocht veel niet. Daar ben ik recalcitrant van geworden.

Ik ben mij niet altijd bewust geweest van mijn positie in de maatschappij. Dit veranderde toen ik mijn scriptie moest schrijven. Ik deed een onderzoek voor een radiostation dat zich afvroeg waarom het de niet-Westerse inwoner niet kon bereiken met zijn radio-uitzendingen.

Eerst opluchting, toen boosheid

Het was een quote van antropoloog Franz Boas (een witte man) uit 1911 die bij mij het licht aandeed: ‘Het is moeilijk om te erkennen dat de waarde die wij toekennen aan onze eigen beschaving voortkomt uit het feit dat wij deelnemen aan die beschaving en dat deze ons gedrag sinds onze geboorte beheerst. Maar het is zeker voorstelbaar dat er andere beschavingen bestaan (...) die niet van mindere waarde zijn dan de onze, hoewel het onmogelijk voor ons kan zijn om hun waarden te appreciëren wanneer wij niet onder hun invloed zijn opgegroeid.’

Ik kreeg kriebels van binnen. Ze maakten plaats voor opluchting en toen boosheid. Boosheid over dat ik opgegroeid was met het idee dat mijn cultuur en kleur minder waren dan de cultuur van de witte Nederlander. Ik was boos dat niemand mij ooit verteld had dat dat niet waar was. Ik was boos op mijn ouders, boos op mijn familie, want waarom waren zij niet boos? Ik was boos op de witte Nederlander, ik was boos op iedereen die ik ooit was tegengekomen en die mij dat gevoel had gegeven, bewust of onbewust, door grappen of opmerkingen.

Maar ik was ook boos op mezelf. Waarom kwam ik hier nu pas achter? Ik dacht terug aan alle gebeurtenissen in de loop van mijn leven waar ik toen geen woorden voor had, maar wel een gevoel. Ik snapte ineens waarom ik mij zolang had geschaamd voor mijn achtergrond, voor mijn cultuur en waarom ik mijn moedertaal niet wilde leren. Ik snapte ineens waar mijn bewijsdrang vandaan kwam.

Witte norm

Ik schaamde mij voor mijn beperking. Ik geloofde in witte superioriteit. Alles wat te maken had met mijn Hindoestaanse, Surinaamse achtergrond drukte ik weg, ik deed alsof dat er niet was. En ik probeerde zo goed mogelijk te passen bij de witte norm. Ik deed of ik geen oi had. Jarenlang zat ik ook niet in mijn rolstoel, maar ik liep erachter. Ik had mezelf wijsgemaakt dat dat mij zou helpen om geaccepteerd te worden.

Deze toxische manier van leven bereikte zijn houdbaarheidsdatum in 2012. Ik stond op een dag op en ik realiseerde mij dat ik klein was. En dat ik mijn hele leven klein zou blijven. En ik realiseerde mij dat ik daardoor ook voor altijd anders behandeld zou worden.

Ik heb een drive waarvan ik soms niet snap waar die vandaan komt, ondanks en dankzij wie of wat ik ben. Ik zeg ondanks, omdat wie of wat ik ben mij niet de meest gunstigste positie in de samenleving geeft. Maar ook dankzij, omdat wie of wat ik ben, mij heeft gemaakt tot wie ik vandaag ben. En daar ben ik trots op. Ik kom fucking van ver.

Dipsaus, De goede immigrant, Uitgeverij Pluim, 21,99 euro
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden