Column

Ik ontsnapte van de apenrots door over de gracht te springen

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Steeds vaker hoor en lees ik dat wij Amsterdammers nooit onze stad verlaten. Ik hoorde het vroeger ook wel eens, maar de mythe lijkt steeds hardnekkiger te worden. Zelfs zo hardnekkig dat de mensen erin zijn gaan geloven. Het fabeltje is de waarheid geworden.

Ik heb een vriend die er heilig van is overtuigd dat hij dood neervalt als hij de stadsgrens passeert. Op twintig meter afstand van de rest van Nederland begint hij al te hyperventileren. "Ilpendam wordt mijn dood!" schreeuwt hij dan, terwijl hij kokhalzend over het fietspad kruipt.

Aan de ene kant heeft het iets vertederends, maar aan de andere kant heeft het iets treurigs. Ik begrijp nooit waarom mensen zo loyaal zijn aan iets wat totaal geen loyaliteit van ze eist.

De stad gaat echt niet boos op je worden als je een middagje met je zwager gaat slootvissen in Sassenheim. De stad houdt je niet in de gaten. Echt niet. God is niet alziend en Amsterdam ook niet.

Vorig jaar, toen mijn columnbundel uitkwam, ben ik door het land gaan touren. Het was geen officieel ding en de boekhandelaren wisten ook helemaal niet dat ik ging komen. Ik stapte gewoon alle boekhandels binnen die ik tegenkwam en daar ging ik dan voordragen uit mijn werk.

Dikwijls was er niemand. Wat ik overigens niet heel erg vond, aangezien ik mijn stem te lelijk vind voor de zinnen die ik schrijf. Hoe dan ook, ik verliet Amsterdam. Ik ontsnapte van de apenrots door over de brede gracht heen te springen.

Ik weet nog dat ik onderweg was naar boekhandel De Kleine Stern in Burgh-Haamstede, toen ik vlinders in mijn buik kreeg van wat ik zag.

Ik zag de Rotterdamse haven. Het schemerde. Ik zag schoorstenen, tanks, containers en kranen. En alles was zo groot. Groter dan in de Amsterdamse haven, waar mijn vader al zijn hele ­leven werkt. Ik bleef kijken en na een tijdje zag ik geen haven meer, nee, ik zag de instrumenten van een orkest. Een orkest van reuzen.

In de schoorstenen zag ik de blazers, in de tanks de trommels, in de ellenlange rijen containers zag ik de toetsen van een piano en in
de kranen zag ik harpen.

In Muiderberg zag ik een koereiger. In Eindhoven werd ik verliefd op de Strijp-S buurt. In Den Haag at ik de beste saotosoep van het land. In Haarlem viel ik als een blok voor Meneer Paprika. In Burgh-Haamstede liep ik over het mooiste strand van Nederland. En in een hotel in de buurt van Boxmeer leerde ik mijn zoon zwemmen.

Nederland lijkt wat dat betreft bijzonder veel op het Meisje Met De Parel van Vermeer. Amsterdam is de parel, maar vergeet het meisje niet.

Vergeet alsjeblieft het meisje niet.

Het meisje mag er ook wezen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden