Beeld Artur Krynicki

Ik moest denken aan mijn moeder en de oorlog

PlusMarjolijn de Cocq

Mijn moeder was vier in de Hongerwinter. Mijn opa had voor veel geld een ei voor haar bemachtigd. Mijn moeder spuugde het uit. Mijn opa werd boos. Mijn moeder had nog nooit een ei geproefd.

Mijn moeder zat tijdens de oorlog met een paar oudere meisjes op een hekje. Er kwamen vliegtuigen aan, de grote meisjes renden weg. “De boze mannen komen,” riepen ze. Mijn ­moeder bleef alleen achter. Ze heeft lang gedroomd van de boze mannen.

Twee verhalen uit de jeugd van mijn moeder, zoals ik ze heb onthouden. Het eerste klopt, denk ik. Ik kan me mijn boze opa goed voorstellen, in mijn herinneringen is hij altijd boos; als kind ‘verstopte’ ik me dan onder de sint-bernard van mijn opa en oma. Het tweede klopt misschien een beetje. De grote meisjes, het ‘de boze mannen komen’. Maar die vliegtuigen, dat alleen en bang achterblijven – het kan zijn dat ik dat erbij heb verzonnen.

Ik moest denken aan mijn moeder en de oorlog door het nieuwe boek van Guus Luijters, Moeders lopen nooit weg (Nieuw Amsterdam). Daarin schrijft hij over zijn jeugd en de hechte band met zijn moeder – die Connie heette maar Puck werd genoemd, die altijd zong en die altijd dichtbij was – en hij dicht bij zijn moeder.

Luijters is van dezelfde generatie als mijn ouders en van dezelfde rode achtergrond. Hij herinnert zich veel, maar bevraagt tegelijk zijn herinneringen. ‘Herinner ik me dit alles zoals ik het hier heb opgeschreven? Natuurlijk niet.’ ‘Mijn moeder schonk me mijn eerste herinnering die geen herinnering kan zijn, maar die ze me zo vaak verteld heeft dat het een herinnering had kunnen worden.’

Voor de lezers van de rubriek Klein Geluk, die hij schreef in deze krant, komt veel bekends voorbij. Er wordt gelopen door de stad, van Esmoreitstraat naar Rozengracht, en de oorlog is nooit ver weg, zoals de oorlog hem in de ‘schuldige stad’ altijd op de hielen heeft gezeten. Maar waar in die rubriek van kleine schetsen de warmte overheerste, laat Luijters hier het beeld kantelen met pijnlijker herinneringen van een kind dat een ongelukje was, een indringer ook in de relatie van zijn ouders, ‘het koekoeksjong dat meteen alle liefde van de moeder opeist en zo de vader tegen zich in het harnas jaagt’.

Zijn boeken hebben zijn ouders nooit gelezen en in de vijftien jaar dat zijn moeder na de dood van zijn vader nog leefde, werd de afstand tussen hen steeds groter en hun verhouding killer – de bitterheid pas in de laatste herinnering voorgoed verdreven.

Een eerbetoon om van te zuchten, in dit boek over een moeder dat vooral ook het boek van een zoon is.

‘Van de kinderjaren van mijn moeder weet ik opmerkelijk weinig,’ schrijft Luijters. ‘Het is wonderbaarlijk hoe weinig nieuwsgierig wij naar elkaars verleden zijn.’ Ik moet mijn moeder toch eens vragen hoe dat nou zat met die boze mannen.

Reageren? M.decocq@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden