Beeld Sjoukje Bierma

Ik miste vooral het rood. De stad was geen rode stad meer

PlusMaarten Moll

Ik miste de troep.

Het door een enkelhoge laag rood slenteren, kauwend op een mee naar buiten genomen, koude, taaie, plakkerige oliebol.

Ik zag geen lege champagneflessen op straat staan, geen wijnflessen van waaruit de vuurpijlen waren afgeschoten om het kwade jaar te verjagen. Wel zag ik honden over de dijk lopen die ik vorig jaar pas na een week, met de staart nog tussen de benen, had gezien.

Ik miste vooral het rood. De stad was geen rode stad meer. Die straten met het vuurwerkafval, die nog tot diep in januari de stad kleurden.

Het was een wat onwerkelijke nieuwjaarsdag. Maar de hond was blij.

Ik miste ook de jongetjes, die we de vorige jaren al heel vroeg buiten op straat hoorden.

Vuurwerk zoeken.

Ik was ook zo’n jongetje. Heel vroeg op pad, want er waren meer kapers op de kust. Niet ontplofte rotjes zoeken. Voetzoekers, piraatjes, astronauten, kanonslagen, superkanonslagen, bazooka’s, en wat al niet meer. Zakken vol.

En dan nog proberen af te steken (bij een natte jaarwisseling in de schuur de buit op een oude krant laten drogen, uit het zicht van je ouders). Of ze knakken en dan met een lucifer er een vuurspuwer van maken.

Of de kanonslagen openzagen, het kruit verzamelen, in een doosje doen, lont (van andere stukjes lont) erin, doosje met plakband goed strak omwinden. Lont aansteken. (Hartjes liet op de eerste maandag na de kerstvakantie nog zo’n bommetje afgaan bij De Jong van Nederlands. De hele klas moest tot vijf uur nablijven.)

Ik heb alles nog: vingers, ogen, gehoor.

Geen rood, geen jongetjes. Het was 1 januari, maar het had ook 17 oktober kunnen zijn, of 24 november. Niets wees erop dat het de eerste dag van het nieuwe jaar was. De man met de gele hond had ook geen goede voornemens, want hij liet zijn hond nog steeds kakken zonder de poep op te ruimen.

En de skispringers in Garmisch-Partenkirchen zouden van de schans springen zonder beneden te worden toegejuicht vanaf de volle tribunes.

Er bleef niet veel meer over van deze eerste dag van 2021.

Gelukkig was er nog de geest van Jan Wolkers, dat zekerheidje om van deze dag nog een beetje een traditionele nieuwjaarsdag te maken. De jaarlijkse ode aan de meester.

Zoals altijd brak ik pas in bij het Nieuwjaarsconcert in Wenen toen ze bij het laatste nummer waren. De Radetzkymars (het boek is beter, maar goed).

En even later brulde ik, rood aanlopend, gezellig mee, net als de vader van Olga in de verfilming van Turks Fruit (het boek etc.): “Tieten-kont, tieten-kont, tieten-kont-kont-kont” (eindeloos herhalen).

Het klonk, hoorde ik achteraf, nogal hysterisch, maar dit pakten ze toch mooi niet meer van me af.

2021 was begonnen.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden